Reportage

Zij verlieten de zorg, maar corona bracht ze terug. ‘Is het wel verstandig, Henk?’

Terug de zorg in Duizenden ex-zorgmedewerkers willen weer aan het werk vanwege de uitbraak van het coronavirus. Hoe is dat, na jaren pensioen of een nieuwe carrière?

Henk Feijs werkte ruim veertig jaar op de IC en ging vorig jaar met pensioen. Hij is weer terug.
Henk Feijs werkte ruim veertig jaar op de IC en ging vorig jaar met pensioen. Hij is weer terug. Foto Lars van den Brink

Door de coronacrisis is er iets unieks aan de hand in de gezondheidszorg: ongeveer twintigduizend (oud-)zorgmedewerkers lieten al weten te willen bijspringen nu de druk op ziekenhuizen extra hoog is. Dat meldt het overheidsloket Extrahandenvoordezorg dat deze mensen koppelt aan plekken waar hulp nodig is. Een deel van de mensen die zich meldt is gepensioneerd, of wisselde eerder van baan. Anderen werken nog als zorgmedewerker, maar willen nu helpen op plekken die zwaarder zijn getroffen door de uitbraak van het coronavirus.

Bijna driehonderd zorgorganisaties hebben al ondersteuning gevraagd bij het loket. In totaal voor bijna vierduizend voltijdbanen.

Verpleegkundigen en artsen kúnnen ook weer aan de slag, mits ze nog beschikken over een geldige BIG-registratie. De overheid heeft dat beleid verruimd, waardoor verpleegkundigen van wie de BIG na 1 januari was verlopen, nu toch weer aan de gang mogen.

Drie oud-zorgmedewerkers die na maanden, soms zelfs jaren weer in hun oude ziekenhuis werken, vertellen waarom ze dat doen.

Lees ook dit verhaal van IC-artsen in Assen en Amsterdam: ‘De meeste mensen denken: iemand zal het wel oplossen’

Henk Feijs werkt weer in het Zuyderland Ziekenhuis in Heerlen

Henk Feijs werkte ruim veertig jaar op de IC en ging vorig jaar met pensioen. Foto Lars van den Brink

„Is het wel verstandig, Henk?” De meeste collega’s reageerden verheugd toen Feijs (66 jaar) weer voor hun neus stond. Maar sommigen trokken bezorgd hun wenkbrauwen op. Op zijn leeftijd in een corona-oorlogsgebied gaan werken?

Zelf twijfelde Feijs ook. „Potverdorie, moet ik het wel gaan doen?” Hij had de toestroom van coronapatiënten in het Limburgse ziekenhuis zien aanzwellen. De intensive care waar hij veertig jaar lang had gewerkt, liep vol. Er werd al een tweede IC-afdeling ingericht. Hij wist hoe fijn het is om extra handen te hebben als het druk is.

Vorig jaar juni was zijn laatste werkdag geweest. Die ochtend was hij gewoon gaan werken – in de loop van de ochtend haalde zijn familie hem op. Eerst „koffie, thee, vla [vlaai].” ’s Avonds een feest met 110 gasten. „Onvergetelijk”, vond Feijs.

Op zijn allereerste werkdag op de intensive care was hij pas 24 jaar oud. Destijds heette het ziekenhuis nog het De Wever-Ziekenhuis. De intensive care was een interessante plek, want daar komen „alle ziektebeelden die je je kunt voorstellen voorbij”.

Wat hem altijd heeft gefascineerd is hoe lichamen zo verschillend reageren op een kwaal. Sommige mensen worden alleen verkouden van het coronavirus, anderen gaan dood. Hoe is dat toch mogelijk, denkt Feijs dan. Hetzelfde gold voor de griep. „Ik heb zat mensen zien overlijden aan iets basaals, zoals een blindedarmontsteking.”

Mensen beademen, dat deed Feijs 42 jaar geleden ook al, maar destijds was het nog een bijzonderheid. Het apparaat van toen had een slang die Feijs zelf in water moest duwen om de juiste druk te krijgen. Nu snappen de machines hoeveel druk er nodig is om genoeg lucht in de longen van een patiënt te krijgen.

Het is lang niet de eerste keer dat Feijs wordt geconfronteerd met een nieuwe ziekte. Zo waren er jaren geleden jonge kinderen met de meningokokbacterie. Aidspatiënten herinnert hij zich ook nog goed. In die tijd moest hij opletten niet in z’n eigen vingers te prikken met spuiten. Q-koorts speelde ook in zijn regio. En nu dan het coronavirus. „Dat heb ik van m’n leven nog nooit meegemaakt: zo’n toeloop, in een tijd van niks.”

Patiënten met het virus zijn „hele zieke mensen”, ziet hij. „Soms komen ze pratend binnen, een paar uur later liggen ze op hun buik, aan de beademing, dood- en doodziek.”

Nadat hij weer aan het werk ging, werd een andere arts op de intensive care ziek. Heeft hij wel de goede keuze gemaakt, dacht Feijs toen.

Aan collega’s legt hij uit dat hij onder voorwaarden is gekomen. Hij werkt drie dagen in de week. „Het moet wel veilig zijn. Als er geen beschermende kleding is, houdt het voor mij op.”

Gelukkig is hij gezond. Hij fitnesst regelmatig, fietst, „komt tijd tekort”. Nee, het zwarte gat na zijn pensioen, dat had hij niet kunnen ontdekken. Hij stortte zich meteen op het cateringbedrijf dat hij heeft met zijn vrouw. Koken, uitserveren – op bruiloften, personeelsfeesten, communies.

Het was een vreemd gevoel om vorige week zijn witte jas weer aan te trekken. „Als je mij vorig jaar had gezegd: over een paar maanden ben je weer terug in het ziekenhuis, had ik gezegd: je bent gek. Dit had niemand kunnen voorzien.”

Marissa Meulstee werkt weer in het UMC Utrecht

Het nummer van de receptie van haar afdeling kende ze nog uit haar hoofd. Horecaondernemer en barista Marissa Meulstee is nu tijdelijk weer verpleger.

Foto Lars van den Brink

Een ziekenhuisserie op Net5 bracht Marissa Meulstee (32 jaar) op het idee verpleegkundige te worden. Negentien was ze toen ze haar diploma als verpleegkundige behaalde. In het UMC Utrecht kwam Meulstee op de afdeling hoofd-halsoncologie. Ze vond het fantastisch, maar ook heftig. Een „snelcursus volwassen worden”, noemt ze het. Tumoren in de kaakholtes, keel, neus. Heel ingrijpende operaties. Ze werkte in totaal acht jaar op de afdeling, met een tussenstap als wijkverpleegkundige.

Nadat Meulstee was bevallen van een tweeling hakten de onregelmatige uren er in. Met haar man zocht ze naar meer structuur voor het jonge gezin. Vrienden waren bezig een horecazaak te beginnen in haar woonplaats Harderwijk. Op het terras brainstormde Meulstee met hen mee. Waarom stapte ze niet in het bedrijf, vroegen zij. Eerst lachte Meulstee het weg: haar goede baan in het UMC Utrecht opzeggen? Maar het idee bleef toch knagen.

Inmiddels is ze mede-eigenaar en gecertificeerd barista. In de „leuke knusse lunchroom” die ze hebben, stortte ze zich op de koffie. Voor inspiratie trok ze het land door om in barretjes koffie te proeven. „In onze zaak zorg ik ook voor mensen, maar dan in heel andere omstandigheden.”

„Jemig, welke vormen gaat dit aannemen”, dacht Meulstee toen premier Mark Rutte in een persconferentie aankondigde dat mensen waar mogelijk thuis moesten werken. In Spanje was de horeca toen al dicht, hetzelfde dreigde voor Nederland. Meulstee was al drie jaar weg uit de zorg, maar er begon weer iets te kriebelen.

Tegelijk waren er ook twijfels. Kon ze het nog wel, is het wel veilig om na jaren weer te beginnen? De afdeling personeel en organisatie plaatste haar uiteindelijk op de afdeling medium care, een verpleegafdeling voor patiënten mét en zonder corona. Al tijdens de eerste dienst was het weer zoals voorheen. Zo draaide ze zonder erbij na te denken uit haar hoofd het nummer van de receptie. „Het ging gewoon. Heel raar.”

Ze staat nu onder supervisie van een andere verpleegkundige. Op de gang komt ze oud-collega’s tegen. „Wat fijn dat je dit doet”, zeggen die tegen haar.

In haar beschermende kleding aan het bed van een Covid-19-patiënt voelt Meulstee zich veiliger dan in de supermarkt. Het besmettingsrisico maakt niet zoveel indruk op haar. De eenzaamheid van patiënten wel. Hoe sommige mensen alleen overlijden. En hoe een oud echtpaar bij elkaar wordt gelegd, zodat ze de laatste uren samen zijn.

Ze doet dit werk zolang haar horecazaak gesloten is. Daarna kijkt ze of ze nog een dienst in de week kan aanhouden. „Dan kijk ik hoe het er hier voor staat.”

Wim Togni werkt weer in het OLVG in Amsterdam

Wim Togni’s kennis van de verschillende nieuwe beademingsapparaten komt weer goed van pas.

Foto Lars van den Brink

Wim Togni (64 jaar) had het e-mailadres van zijn oude leidinggevende nog. Maandagavond 23 maart om acht uur bood hij zich aan. Om negen uur kwam er een antwoord. Dinsdag was er een pasje en een nulurencontract voor zes maanden beschikbaar. Woensdag stond hij weer op de afdeling van het Amsterdamse OLVG, waar hij 34 jaar lang had gewerkt.

Na zijn vervroegde pensioen was Togni van het Noord-Hollandse Landsmeer naar Doorwerth bij Arnhem verhuisd. Bij het plaatselijke kasteel deed hij vrijwilligerswerk achter de kassa. Hij wilde iets doen wat helemaal niets met de gezondheidszorg te maken had. De mensen die naar het kasteel komen, zijn op een uitje, zegt hij. Niemand gaat voor z’n lol naar het ziekenhuis.

Op televisie had Togni gezien hoe de intensive cares volstroomden. „Dan komt het OLVG ook aan de beurt”, dacht hij. Eigenlijk stond hij niet stil bij zijn eigen besmettingsgevaar. Gevaar liep hij toch al: zijn vrouw werkt ook in het ziekenhuis. Het echtpaar blijft wel uit de buurt van hun schoondochter, die is twaalf weken zwanger. Tot de crisis over is.

Togni was twee jaar weggeweest, maar liep al snel weer over de afdeling alsof het nooit anders was geweest. De meeste mensen kende hij nog wel. Nieuwe medewerkers kenden hem van naam. Dat kwam doordat Togni voor zijn vertrek een dubbele rol had in het ziekenhuis. Hij keek de apparatuur van de ic-afdeling na. In de jaren na zijn vertrek heette de ruimte waarin hij dat deed nog steeds ‘het hok van Wim’.

Nu komt zijn kennis van de verschillende nieuwe beademingsapparaten van pas. Eerst waren er 24 bedden op de ic-afdeling, nu 59. Ze hebben zelfs acht apparaten van het leger gekregen.

In een „maanpak” lopen kende Togni al wel van andere infectieziektes van vroeger. Maar met corona is het intensiever, patiëntenkamer na patiëntenkamer. Het is heet in het pak en hij krijgt striemen in zijn gezicht. Niks aan te doen, het is niet anders.

Corona maakt indruk, maar het is niet het heftigste wat hij ooit meemaakte op de afdeling. Dat was die vroege nieuwjaarsochtend van 2001, na de cafébrand in Volendam. Hij was vrolijk in een feeststemming naar bed gegaan en stond om drie uur ’s ochtends weer op de afdeling. De ene na de andere verbrande tiener werd binnengereden. Maar anders dan met corona was de rust na een dag of twee, drie weer terug.

Togni staat nu vier dagen in de week om half zes op. Om zes uur rijdt hij naar Amsterdam. Twaalf uur later is hij weer thuis. Hij blijft, denkt hij, zolang het nodig is. „Ik heb het nu meegemaakt. Dan wil ik het afmaken ook.”