Waarom praten we soms hardop tegen onszelf?

Durf te vragen Het taboe op in jezelf praten blijkt af te nemen, zegt een onderzoeker.

Foto Getty Images

Het begint met de vraag van een lezer die alleen achterbleef op kantoor als enige niet-thuiswerker. Tot zijn verrassing ging hij vaker in zichzelf praten. Vooral hij als software in bedwang moest houden: „Nu moet ik toch F9 indrukken?” Eenzame thuiswerkers hebben eenzelfde ervaring. Waarom? Evident is ‘in-jezelf-praten’ een normaal middel tot concentratie of aanmoediging. Wie roept zichzelf nooit tot de orde, in grote drukte: wat was ik nou aan het doen? Wie zegt nooit hardop een cijfer, om het beter te onthouden?

In de wetenschap blijkt het onderwerp al decennia een domein van de sportpsychologie, waar inmiddels wel vaststaat dat hardop jezelf instrueren (instructional self-talk) sporters echt kan helpen, vooral bij het oefenen van nieuwe taken met veel fijne motoriek. Jezelf moed inpraten blijkt minder nuttig.

En er bestaat in de ontwikkelingspsychologie een onderzoekslijn naar de innerlijke spraak (inner speech): naar hoe je in je hoofd ‘praat’. Veel onderzoekers zijn geïnspireerd door de geniale Russische psycholoog Lev Vygotski (1896-1934). Die typeerde die innerlijke overgang van vage gedachten naar „innerlijke spraak” ooit als „een wolk die een regen van woorden loslaat”. Vygotski observeerde ook veel jonge spelende kinderen en hem viel op hoe vaak die in zichzelf praten. Zijn intuïtie: wat als onze innerlijke spraak nu eens voortkomt uit de verinnerlijking van dat kinderlijke praten tegen jezelf? Het hardop in jezelf praten door volwassen wordt dan een naar buiten ‘overspoelen’ van die inner speech, die aldus even terugkeert naar zijn oorsprong.

‘Waarom praten we überhaupt?’

Een van de voortrekkers van het moderne inner speech-onderzoek is Charles Fernyhough (Durham University). Hij schreef er onlangs een boek over, dat ook in het Nederlands vertaald is: In jezelf praten. Over het nut van de stemmen in ons. Op de vraag waarom we in onszelf praten, antwoordt hij telefonisch onmiddellijk met een tegenvraag. „Waarom praten we überhaupt? Er zijn zo veel functies van taal: beïnvloeden van anderen, excuses maken, plannen maken, informatie ordenen, enzovoorts! En als we taal gebruiken om anderen te beïnvloeden, waarom zouden we het dan niet ook op onszelf toepassen? Hardop, maar nog veel vaker in stilte in ons hoofd. Om te denken, te plannen, aan te moedigen, evalueren.” Iedereen heeft ‘innerlijke spraak’, al zijn er wel grote individuele verschillen. Fernyhough: „Ikzelf heb altijd veel innerlijke spraak. Ik dacht altijd dat iedereen dat had. Maar in mijn onderzoek ontdekte ik dat er ook mensen zijn die dat veel minder hebben, zo’n stille conversatie met zichzelf. Het is trouwens ook niet altijd makkelijk te herkennen. Als mensen zeggen dat ze dat nóóit hebben, hoeft dat niet waar te zijn.”

Waarom we dan eigenlijk relatief weinig hardop tegen onszelf praten is niet eens gemakkelijk te verklaren. Fernyhough: „Traditioneel wordt praten tegen jezelf altijd gezien als het eerste teken van waanzin, dus het is wel logisch om dat in gezelschap te onderdrukken, en dus ook als je alleen bent. Maar ik merk wel dat het taboe minder wordt. Als ik op lezingen vraag wie wel eens in zichzelf praat, zie ik steeds meer handen omhoog gaan, ook al voordat ik zeg dat ik het zelf ook doe.” Kleine kinderen doen het veel vaker, soms bijna voortdurend. Waarom en hoe ze daar mee stoppen is nog niet helemaal duidelijk. „Zelf denk ik dat het onderwijs grote invloed heeft. Denk je eens in: een klas vol vierjarigen die allemaal tegen zichzelf praten! Die moeten dat afleren natuurlijk.”