Voetbal verrijkt mijn leven – helaas nu even niet

In het leven van NRC-redacteur Fabian van der Poll staat voetbal centraal. Hij mist de kleurrijke verhalen, zijn vrienden, de perskamer.

Foto Gerrit van Keulen/ANP

Voor wat mogelijk een goed verhaal over de betekenis van voetbal kon worden, ontmoette ik in 2016 een Leicester City-supporter die een klein fortuin had gewonnen door te voorspellen dat zijn club kampioen van Engeland zou worden. Een prestatie die bookmakers even aannemelijk hadden geacht als de mogelijkheid dat er in juli sneeuw zou vallen.

Hij had zijn vijf pond bij wijze van grap ingezet, bekende hij. Nooit had hij durven denken dat hij er zoveel winst mee zou maken dat hij zijn gedroomde uitbouw ervan kon betalen. In de nieuwe ruimte, die nog rook naar verf, had hij een slaap- en badkamer voor zijn mindervalide zoon gecreëerd. De jongen glunderde toen hij vertelde dat hij nooit meer naar boven hoefde te worden getild.

Die middag was het alsof ik een tragikomische film van Ken Loach was binnengestapt. De Britse regisseur wist ooit de betekenis van voetbal goed te vangen met ‘Looking for Eric’, een film over een postbode wiens obsessie voor Eric Cantona hem een uitweg in alle problemen biedt.

Nu had voetbal de levens van deze vader en zoon verrijkt, en het maakte me plaatsvervangend gelukkig.

In verhalen als deze kan ik me verliezen. En ik mis ze, nu de bron langzaam opdroogt. Geen voetbal betekent geen tragische wendingen, sensationele stunts, emotionele ontboezemingen of andere vormen van vermaak uit het circus dat de voetbalwereld is. Wat er nog van rest is een zakelijke discussie of de competitie moet worden uitgespeeld. Stekelige conferencecalls. Geïrriteerde directeuren.

Stilte in kantines

Het is weliswaar nog geen maand geleden dat de stadions voor het laatst volzaten, maar meer dan de laatste weken zijn het vooral de komende voetballoze maanden die me benauwen – de stilte in kantines en perskamers waar ik zo graag kom. In het AD las ik al een gefantaseerd wedstrijdverslag van een interland. Ik ben dus niet de enige voetbalverslaggever die moet zien te aarden in een wereld zonder bal.

Een ontregeld gevoel zonder voetbal verhoudt zich niet met de zorgen om naasten en banen die we hebben. Het is veel trivialer dan al het persoonlijke leed in deze crisis. Paus Johannes Paulus II noemde voetbal ooit het belangrijkste van alle onbelangrijke dingen en conform die wijsheid zou het niet relevant moeten zijn of Hakim Ziyech ooit nog voor Ajax speelt, RKC ontsnapt aan degradatie en of FC Twente binnenkort weer in het rood staat.

De ontwenningsverschijnselen uiten zich in het herlezen van ‘Fever Pitch’, het standaardwerk voor de voetbalsupporter

Toch laat ook dat me niet los. Alsof mijn gedachten erdoor worden gegijzeld. Is beroepsdeformatie in crisistijd een deugd? Een plicht? Ik hoop het.

In elk geval denk ik deze dagen ook aan Liverpool. Dertig jaar lang snakt de club al naar de landstitel. Eindelijk was-ie nabij, totdat het virus kwam en de Premier League niet of zonder publiek wordt uitgespeeld. In beide gevallen verliest de titel aan betekenis voor een stad die zo uitkeek naar een volksfeest.

Liverpool is een club met een litteken. Vanwege Hillsborough, de grootste stadionramp ooit die zich voltrok in april 1989. In een documentaire erover vertellen nabestaanden van de 96 omgekomen supporters hoe ze hun naasten identificeerden in een gymzaal nabij de plek waar diezelfde geliefden zo graag kwamen. Doodgedrukt in het stadion – niet te bevatten.

In donkere tijden kan voetbal ook troost bieden. Ik zag eens een stervende Feyenoord-fan oplichten toen hij voor een laatste keer de Kuip werd binnengereden. Ik bezocht in 2016 een oude Eindhovenaar in een verzorgingstehuis waar hij afleiding vond in het kampioenschap van PSV. Naast zijn bed lag een PSV-boek.

Bevrijdend gevoel

Er is veel wat ik aan voetbal mis naast de kleurrijke verhalen. De ergernissen in WhatsAppgroepen als Joël Veltman onnodig geel pakt. Zelfs een oeverloze VAR-discussie klinkt nu aanlokkelijk. Of voetballen met tegenwind.

Ik mis ook mijn teamgenoten. De bouwvakkers, bankmedewerkers, docenten, handelaars, jeugdhulpverleners en accountants met wie ik ‪zondagochtend‬ een bevrijdend gevoel deel als we thuis de boel de boel laten. Weg van de luiers en plichten, André Hazes in de kleedkamer, klaar voor een nieuwe clash in de vierde klasse B. In september zullen we elkaar pas weer zien.

Er zijn natuurlijk mogelijkheden om het gemis op te vullen. We kijken het EK ’88 terug bij de NOS en zien hoe presentator Kees Jansma door Ruud Gullit en Marco van Basten in bad wordt gejonast. We delen onze favoriete voetballers met de wereld via Twitter. Internetshow FC Afkicken organiseerde een quiz voor de voedselbank (ik oveleefde de eerste ronde). En er is de al zeventien dagen durende voetbalshirtchallenge, waarbij volwassen mannen zichzelf elke dag fotograferen in een ander voetbalshirt (ik niet).

De Kuip in Rotterdam. Foto Lex van Lieshout/ANP

Van obsessiever aard is het volgen van de Wit-Russische competitie, ongeveer de enige in Europa die nog loopt. Maar zoals een culinair recensent geen voldoening zal scheppen uit een etentje in een leeg restaurant, consumeer ik voetbal ook liever als ik sfeer en beleving proef. Zelfde verhaal met wedstrijden zonder publiek. Zie je Paul McCartney al in een lege Ziggo Dome optreden?

Ontwrichting

Mijn ontwenningsverschijnselen uiten zich in het herlezen van Nick Hornby’s Fever Pitch, het standaardwerk voor de voetbalsupporter. In het bekroonde boek uit 1992 wist de Britse auteur als geen ander te verwoorden wat het écht betekent om voetbalsupporter te zijn.

Neem alleen al de openingszin: „Ik raakte verliefd op het voetbal op dezelfde manier waarop ik later verliefd zou worden op vrouwen: plotseling, onverklaarbaar, kritiekloos, zonder na te denken over de pijn of ontwrichting die ermee gepaard zou gaan.”

Ontwrichting ja. Want anders dan soms gedacht, is het lang niet altijd prettig als voetbal zich zo opdringt. Nu bijvoorbeeld, als het bijna ongepast lijkt om aan de titelrace van AZ en Ajax te denken.

Als Hornby’s vriendin in bed vroeg waar hij aan dacht, zei hij voor het gemak: „Aan de Labour Party.” Meestal dacht hij aan Arsenal, de club waar zijn vader hem op elfjarige leeftijd mee naartoe nam. Met zijn boek hoopte hij een snaar te raken „bij iedereen die ooit heeft gemerkt dat hij midden in zijn werk, een film of een gesprek afdwaalde naar een volley met links in de rechterbovenhoek, tien, vijftien of vijfentwintig jaar geleden”.

„Ik schaam me nog steeds voor mijn onvermogen te helpen”, schrijft Hornby over de keer dat hij bij een promotiewedstrijd niet van zijn plek week toen zijn vriendin flauwviel. „Ik heb me vaak afgevraagd wat er zou gebeuren als ik vader moest worden op dezelfde dag dat Arsenal de bekerfinale zou spelen.”

Zorgen om de sector

Behalve dat ik mijn voetbalhonger poog te stillen met het herlezen van klassiekers, maak ik me ook zorgen om de sector. Niet om de profs die in salaris worden gekort, wel om de kleinere clubs die in het meest donkere scenario van de coronacrisis moeten vrezen voor hun voortbestaan. Ik weet hoeveel een club voor iemand kan betekenen en weet ook hoe het voelt om een club te verliezen.

In 2010 ging HFC Haarlem op de fles, een bescheiden profclub die ik tot in alle uithoeken van het land volgde. Drie uur met de trein naar Sittard, 3-0 verliezen, drie uur terug; alsnog een topdag.

Bij thuiswedstrijden gaven we seizoenkaarten door via het hek achter de tribune, we koesterden het eenheidsgevoel dat optrad als de ‘Roodbroeken’ het veld opkwamen. Ik begrijp dus goed dat er veel mensen zijn die op dit moment hun club, hun stadion en hun medesupporters missen. De club is ook je familie.

De frustratie over mijn verdwenen club steekt vaak de kop op. We hebben tijd om te wandelen en de aanblik van de laatste tribune die nog overeind staat, maakt me weemoedig en boos. Mijn vriendin begrijpt dat. Zegt ze.