Foto Mary Altaffer/AP

Tijdens een pandemie wil iedereen het liefst naar huis

Essay| Thuis Miljoenen mensen hebben zich de afgelopen maanden afgevraagd waar ze hun quarantaine het beste kunnen doorbrengen. Het antwoord is meestal: thuis. Maar waar is dat, thuis?

Maria del Mar Rosario, één van mijn beste vriendinnen, liet haar partner achter in hun studio in Harlem, New York, en vertrok naar Puerto Rico. Daar wacht haar moeder al 23 jaar op haar. Ze stuurt een foto van mami die met een handdoek op haar hoofd (tegen de zon) in de tuin van haar huisje zit. Sinds een maand met een brede glimlach: haar enige kind is weer thuis. Hoe langer dit virus duurt, hoe beter, denkt ze.

Maria’s vriend, een Colombiaan, wilde graag mee naar Puerto Rico, maar dat kon niet. „Ik zei dat dit het perfecte moment is om van zijn wietgebruik af te komen”, appt ze. In quarantaine kun je tóch nergens heen.

Toen de Covid-19-vlek ook aan Maria’s kant van de wereld slachtoffers begon te maken, keerde ze zonder een moment te twijfelen terug naar haar geboortehuis. Ze wilde bij haar moeder zijn en haar vaders graf kunnen bezoeken.

Miljoenen mensen wereldwijd hebben zich de afgelopen maanden afgevraagd waar zíj hun quarantaine het beste kunnen doorbrengen. Saoedische studenten in Canada vlogen terug naar huis. Kenianen in Nairobi pakten trein en bus naar familie op het platteland. Chinezen in Londen, die dachten geluk te hebben toen Covid-19 door China raasde, stapten niettemin op het vliegtuig terug. Mensen die dat kunnen betalen – een luxe.

Lees ook: Correspondent Bram Vermeulen: ‘Thuis is waar mijn dochter is’

Voor Maria, een 38-jarige filmmaker, was haar thuis niet New York, niet Londen, niet Parijs, niet Havana – steden waar ze eerder woonde – maar San Juan, de stad die ze als 15-jarige verliet voor een carrière als model.

Als het lichtje naast mijn laptopcamera brandt, zie ik haar op het eenpersoonsbed van haar kinderkamer liggen. Met haar grote krullenbos in een losse staart ligt ze op haar zij, één hand onder haar hoofd, haar lange benen buitenboord. Dít is haar thuis, zegt ze. Het gevoel, zegt ze, is als een kom soep. „Als die met liefde is bereid en vol lekkere, verse ingrediënten zit, dan voelt het als thuis.” In de buurt van familie smaakt het leven het rijkst, lekkerst en gezondst.

Een verzameling herinneringen

Zeker voor migranten en vluchtelingen is de vraag ‘wat is je thuis?’ niet alleen tijdens een pandemie relevant. Ik ben deze week 31 geworden en zoek al meer dan tien jaar naar een antwoord op die vraag. Is mijn thuis verbonden aan een land, een plaats, een huis, of een herinnering aan een mooie periode omringd door lieve mensen?

Voor sommigen is hun thuis net zo logisch als hun leeftijd. Ik zou kunnen zeggen: Teheran, waar ik geboren ben, maar waar ik me niks van herinner. Of: de Korenbloemstraat in Moerkapelle, waar we als vluchtelingengezin een huis kregen, een tijd van verwarring. Of: Scheveningen, waar ik op de middelbare school zat. Of New York, waar ik als student twee jaar met Maria woonde. Of Amsterdam, waar ik woon sinds ik bij NRC werk.

Hoe bepaal je wat je thuis is? Als je meerdere opties hebt, is het moeilijk kiezen. Tegelijkertijd heeft het opbouwen van een thuis tijd nodig. Hoe vaker je jezelf verplaatst, hoe verder weg je van huis bent, letterlijk. Voordat je iets een thuis kan noemen, moet je gehecht raken aan de mooiste route naar huis, en de geur van bloesems of juist van vuilnis, wanneer je naar buiten stapt en de deur achter je dicht trekt.

Op dit moment verblijven veel mensen in de wereld op de plek waar ze ooit bedoeld waren te zijn. Zo ook mijn onderbuurvrouw in Amsterdam. Toen drie weken geleden het reisadvies hier en daar verschoot van oranje naar rood keerde Marta Róbertsdóttir, 30, halsoverkop terug naar IJsland. Ze was bang dat de grenzen tussen haar en haar familie gesloten zouden worden. Binnen 48 uur heeft ze haar ticket naar huis geboekt, haar huur opgezegd en zonder gedag te zeggen een leven in Nederland stopgezet dat ze had opgebouwd in zesenhalf jaar. Intuïtief voelde ze: ik moet nu naar mijn familie toe. Dat vertelt ze aan de telefoon, terwijl ze uitzicht heeft op sneeuw en een fjord. „Ik ben zó opgelucht thuis te zijn”, zegt ze. „Ik dacht dat ik de opwinding van het leven in Amsterdam zou missen, maar dat valt eigenlijk wel mee.”

Hele citroenen eten

Het islamitische regime van Iran is er schuldig aan dat ik van dat land nooit een thuis heb kunnen maken. Ik ben er sinds ons vertrek in 1993 nooit meer geweest: voor een Iraans-Nederlandse journalist is dat riskant. Zo blijft de vraag of Iran misschien niet méér een thuis is dan Nederland altijd in de lucht hangen.

Eigenlijk moet ik Iran als optie kunnen elimineren voordat ik voor Nederland kan kiezen. Ik wil een tijdje omringd zijn door mensen die het net als ik normaal vinden om hele citroenen te eten – en dáárna beslissen.

Mijn verleden en toekomst aan één tafel. In pyjama. Op die momenten ben ik thuis

Thuis is dan de plek waar jouw eigenaardigheden de norm zijn. De plek waar niemand vraagt waar je vandaan komt. Dat is Nederland voor mij de laatste jaren steeds meer, maar nog niet helemaal.

Mijn moeder was iets jonger dan ik nu toen ze met mij (vier jaar) en zwanger van mijn broertje naar Nederland vluchtte, mijn vader volgde later. Ze had een te grote mond om niet met iedere Iraanse zedenagent, zoals die ene die haar vroeg waar mijn kleuterhoofddoek was, schreeuwende ruzie te krijgen op straat. Haar thuis was niet meer veilig, ze moest op zoek naar een ander thuis.

Lees ook: ‘Als één iemand in het kamp besmet raakt, krijgen we het allemaal’

Volgens de vluchtelingentak van de Verenigde Naties geldt dat nu voor meer dan zeventig miljoen mensen in de wereld. Denk aan de Eritreeërs die in Libië vastzitten, de migrantenkaravaan die door Zuid-Amerika trekt, en dicht bij huis: Afghanen in kamp Moria, Griekenland. Dan hebben we het nog niet eens over die 1 miljard mensen gehad die wel thuis zijn maar in townships, favela’s en sloppenwijken wonen. Plekken waar anderhalve meter afstand houden net zo onmogelijk is als vijftien meter voor ons zou zijn.

Is thuis dan misschien de plek waar je het veiligst bent? Als ik mijn moeder vraag waar zij nu het liefst zou zijn, zegt ze naar mijn smaak te snel: „Kermanshah!” Dat is haar geboorteplaats in Iran. Waar de overheid tegen burgers liegt en de toegang tot zorg beperkt is? vraag ik verbaasd. Waarop mijn moeder zegt: „Maar wél in je eigen land, dicht bij een grote familie die voor je klaar kan staan.”

In Nederland heeft ze eigenlijk alleen mijn broertje en mij.

Zondagochtend aan de eettafel

In deze quarantaine-tijd mis ik het meest de zondagochtenden aan de eettafel bij mijn moeder in Scheveningen. Ik mis dat ze naar het schoteltje wijst en zegt dat ik niet dít stukje Turkse kaas moet pakken, maar dát stukje – en ik snel antwoord dat ze mij niets moet vertellen. Ik mis het delen van anekdotes over een interview, het geklaag over hoe de politiek niet doet wat wíj willen.

De grappen die mijn broertje Kourosh en ik maken over haar accent. Zij lacht dan weer om ons gebrekkige Perzisch – wat mijn vriend niet verstaat. Hij zegt alleen dat we liever voor haar moeten zijn. Mijn verleden en toekomst aan één tafel. In pyjama. Op die momenten ben ik thuis.

Momenten dus.

Uit angst mijn moeder per ongeluk te besmetten met Covid-19 – ze herstelde vorig jaar van een hersentumor – slaan we die ontbijten al een tijdje over. Maar als ik haar deze zondag zou zien, had ik verteld over Maria’s vriend op die kamer in New York, die óók bij zijn moeder had willen zijn, maar net als al die andere miljoenen Latijns-Amerikaanse ongedocumenteerden de Verenigde Staten niet kan verlaten.

‘Wat hebben wij toch geluk’, zou de geëmotioneerde reactie van mijn moeder zijn geweest.

Dan zou ik zeggen dat het geestig is hoe velen in corona-tijd dicht bij de baarmoeders willen zijn waarin het leven ooit begon. De enige locatie waarin we langer opgesloten zaten dan op de plekken waar we deze pandemie moeten uitzitten. Laten we hopen dat dat zo blijft.

Maral Noshad Sharifi is Afrika-redacteur van NRC.

‘Thuis’ is voor nu een verlaten bouwplaats

Voor Krishna Kumar Gautam (25) is thuis een dorp in het noorden van India waar de huizen van leem zijn, de daken van stro en waar elektriciteit ontbreekt. Er wonen zo’n veertig families. Kastelozen, net als hijzelf. „Het ontbreekt aan veel,” zegt Gautam, „maar het hele dorp voelt als één familie.”

Samen met zijn vrouw trok Gautam twee jaar geleden naar de stad, op zoek naar werk. Het stel eindigde in de industriestad Kanpur, waar ze rondkwamen van wat Gautam per dag op bouwplaatsen verdiende. Tot de Indiase premier aankondigde dat het land vanwege een virus voor drie weken op slot ging en alles stil kwam te liggen.

„Iedereen vertrok”, zegt Gautam. Met zijn vrouw, hoogzwanger, besloot ook hij dat er maar één plek was waar ze nu wilden zijn: thuis. „In ons dorp hoef ik mij geen zorgen te maken over de bevalling, want alles is er goedkoper en mensen helpen je zonder daarbij na te denken.” In de stad is dat wel anders. Ook maakt hij zich zorgen over zijn ouders. Die zijn oud en leven deels van door de overheid gesubsidieerd eten. „Ik weet niet of ze nog genoeg hebben.”

Maar ruim twee weken later heeft het jonge stel hun dorp niet bereikt. ‘Thuis’ is voor nu een verlaten bouwplaats nabij Lucknow, de hoofdstad van Uttar Pradesh, waar ze onder plastic zeilen leven met nog zo’n acht andere gestrande gezinnen. Hun dagelijkse poging bij de snelweg een lift te vinden, hebben ze opgegeven. „Zelfs de vrachtwagenchauffeurs zijn bang voor het virus”, zegt Gautam. Zijn vrouw is moe. „Kun jij ons alsjeblieft helpen?”

Met medewerking van Saurabh Sharma

‘Nu ik thuis ben, mis ik niks van Nederland’

Piotr Ciecwierz heeft „in een soort blinde paniek” een paar weken geleden Nederland verlaten. Hij is weer thuis, bij zijn ouders in Polen. „Ik ben in mijn auto gestapt en was net op tijd terug voordat de grens dichtging.”

Zoals veel arbeidsmigranten werd Ciecwierz (31) overvallen door de ernst van het coronavirus. „Ik had wel gelezen over een ziekte in China, maar na carnaval hoorde ik van vrienden die Nederlands spreken dat ook in Brabant veel mensen ziek waren.”

Ciecwierz woont zes jaar in de buurt van Eindhoven, hij werkt sindsdien bij een fabrikant en distributeur van specialistische producten voor loodgieters. „Vloerverwarming” is het enige Nederlandse woord dat soepel van zijn tong rolt. Zijn ouders waren doorslaggevend bij zijn beslissing om halsoverkop te vertrekken. „Ze maakten zich ernstige zorgen. Over mij in Nederland en over zichzelf.”

Zijn vader van 65 is herstellende van keelkanker. Na de zware operatie kan hij extra vatbaar zijn voor Covid-19. „Ik zie het als mijn plicht om voor mijn ouders te zorgen, zodat dat zij niet naar buiten hoeven.”

Ciecwierz heeft het geluk dat zowel zijn baas als zijn huisbaas begrip heeft voor zijn situatie. Hij hoeft zijn kamerhuur, in het huis dat hij deelt met vijf andere Polen, nu niet te betalen. En zijn baan wacht op hem.

Terug naar Nederland wil hij zeker, maar niet te lang. „Deze situatie doet me opnieuw beseffen dat ik in Polen wil settelen en hier een gezin wil stichten. Ik ga nog twee jaar terug om geld te verdienen en dan kom ik definitief naar huis. Als ik in Nederland ben, mis ik alles – vooral de pierogi (gevulde deegkussentjes, red.) van mijn moeder. Nu ik thuis ben, mis ik niks.”

‘Brussel voelt juist nu als een comfortabele plek’

Ruth Watson moet even lachen om de vraag waar haar thuis is – want het is geen gemakkelijke. Ze groeide op in Manchester en haar familie woont er. Haar jeugdvrienden wonen verspreid over het Verenigd Koninkrijk. En ze woont en werkt in Brussel, waar jaarlijks duizenden diplomaten, lobbyisten en ambtenaren vanuit het hele continent naartoe trekken, om tijdens weekenden en vakanties weer huiswaarts te keren.

Watson (30) woont sinds 2013 af en aan in Brussel, sinds vorig jaar werkt ze er voor een ngo. Sinds een kleine maand doet ze dat vanuit huis.

Toen de coronacrisis uitbrak, was het niet meteen vanzelfsprekend waar ze heen zou gaan, vertelt ze aan de telefoon. „Mijn zus moedigde me aan om naar Manchester te komen. Ik heb dat toen wel overwogen, zeker omdat het zo onduidelijk is hoelang dit gaat duren.”

Net als veel mensen uit haar omgeving besloot Watson in Brussel te blijven. „Mijn ouders zijn 68. Ik had vlak ervoor gereisd en wilde niet het risico lopen dat ik ze zou besmetten.” Ook werken zou vanuit Manchester complexer zijn. En Brussel voelt in deze tijden als „een comfortabele plek”. Als haar thuis? „Meestal wel ja. Het systeem van de gezondheidszorg is hier goed, er wonen vrienden die ik al jaren heb, ik heb een netwerk om me heen.”

Contact met familie verloopt voorlopig digitaal. Haar vader gebruikt voor het eerst WhatsApp. Hoelang ze nog blijft, bekijkt ze per dag. „Ik neem aan dat ik, mocht het echt nodig zijn, nog wel terug kan. Voor zover ik weet rijdt de Eurostar nog.”

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.