Opinie

Sterfhuizen

Marcel van Roosmalen

De berichten over de situatie in de verpleegtehuizen worden steeds zorgelijker. Besmettingshaarden zijn het, broeinesten waar het coronavirus welig kan tieren. „Een stille ramp”, noemde Rob Jetten (D66) het woensdag in de Tweede Kamer. Was het maar een stille ramp, dan kon ik nog doen alsof het me ontgaan was. De weinige keren dat ik mijn moeder nog spreek, schreeuwt ze het uit.

In NRC werd de situatie gisteren geduid op twee treurig stemmende pagina’s. Ik las: ‘Opsluiten. Geen bezoek. Dubbele longontstekingen. Te weinig beschermende kleding voor het personeel.’

Anneke van Strien, arts in verpleeghuizen van het Haagse Saffier, pleitte voor een ‘cohortafdeling’ in verpleeghuizen, waar je met het coronavirus besmette demente ouderen kunt ophokken, zodat ze onder elkaar kunnen dwalen.

Lees ook De pijnlijke afweging in verpleeghuizen: demente oudere mag niet meer ronddwalen

Het leek of het stuk speciaal voor mij geschreven was. Alsof ze bij de krant bij elkaar waren gaan zitten en hadden gezegd: „Zullen we het maar eens duidelijk opschrijven, dan begrijpt hij het tenminste.”

Wat ik nog steeds niet snap: waarom mogen dementerende ouderen geen contact hebben met de buitenwereld als het gevaar toch zo overduidelijk van binnen komt? De maatregelen zijn er toch om hen te beschermen tegen ons, en niet andersom?

Ondertussen meldde mijn zus dat mijn moeder negatief getest was op het virus. Een wonder, omdat ze niet op haar kamer te houden is en bijna alle anderen op haar afdeling wel besmet zijn. Ze had inmiddels wel klachten, de kans was reëel dat ze direct na het testen een besmette medebewoner was gaan aaien.

Wat als ze de poorten opeens wel openden en we de kans kregen om haar op te halen, schoot het tijdens de afwas door me heen. Zouden we dat doen?

De ongemakkelijke waarheid is dat we haar er hier niet bij kunnen hebben.

Nee, het opwinden op afstand ligt me beter.

Komt er later, als dit allemaal voorbij is, een parlementaire enquête over wat er nu gebeurt in de sterfhuizen? En wat vertel ik mijn dochters als ze vragen wat wij deden toen ze de opgesloten mensen lieten versterven?

„Niets”, zal ik dan moeten zeggen. „Jullie vader was nog te beroerd om te gaan zwaaien. Hij vond 220 kilometer heen en terug met het openbaar vervoer te ingrijpend, de overheid had dat trouwens ook liever niet.”

„En de andere mensen, wat deden die?”

„Die hingen uit het raam om te zingen.”

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.