Wytske Versteeg: „Mijn moeder schrijft mij geregeld, ik schrijf soms terug. Maar elkaar zien, fysiek zien, nee.”

Foto Andreas Terlaak

Interview

Wytske Versteeg kon niet langer vergeten wat haar opa haar had aangedaan. Nu is er een boek

Wytske Versteeg | Schrijfster Als jongvolwassene lukte wegredeneren niet meer. Ze was als kind misbruikt door haar opa. Wytske Versteeg, prijswinnend romancier en essayist, over de pijn van onmacht en geweld.

Wytske Versteeg (36) heeft net de Frans Kellendonkprijs 2020 gekregen voor haar werk als romancier en essayist, en ze heeft ook net een nieuw boek gepubliceerd, een non-fictieboek, Verdwijnpunt, over de pijn en het verdriet die het gevolg zijn van geweld en machteloosheid. Ze heeft er zelf ruime ervaring mee. Over dat boek gaan we het zo hebben – zij vanaf de bank in haar huis in Delft, met haar Spaanse jachthondje naast zich – maar we beginnen bij haar roman Quarantaine uit 2015. Die speelt zich af in een land dat is lamgelegd door een gevaarlijke en zeer besmettelijke ziekte zonder naam. Sommige alinea’s hadden deze weken in de krant kunnen staan: het ongeloof in het begin, de run op de supermarkten, het snel oplopende tekort aan IC-bedden, de doden.

Lees ook de recensie van Arjen Fortuin van Quarantaine: Je harteloze zelf onder ogen zien

Hoe was je op het idee gekomen?

„Ebola. Ik las over mensen die heel ziek waren en stierven, en door niemand mochten worden aangeraakt. Ik dacht: hoe zou je je dan voelen? En toen was daar opeens het personage Tomas Augustus, de plastisch chirurg, en die begint met een heel ander verhaal dan waar ik aan had gedacht.”

Een vrouwenhater.

„En super-asociaal. Iemand die het leuk vindt om als het hard regent met zijn auto langs fietsers te scheuren, zodat die tot op hun onderbroek doorweekt raken. Een bedrieger die zijn studie geneeskunde niet eens heeft afgemaakt. Maar doordat hij zo onaangenaam is, kan hij dingen zeggen die niemand anders zegt. Dat we het niet de moeite waard vinden om geld aan een ziekte te besteden zolang die zich tot Afrika beperkt, bijvoorbeeld.”

En jij hebt die onaangename man verzonnen.

„Hij drong zich aan me op. Een personage dat begint te praten kun je als schrijver alleen maar volgen. Ja, elk personage is een uitvergroting van een deel van jezelf, maar bij het schrijven gebeurt er altijd iets dat zich buiten mij om voltrekt.”

Tomas’ angst is dat hij nooit meer zal worden aangeraakt, alleen heeft hij dat zelf niet door.

„Hij dacht altijd dat hij er geen behoefte aan had. Toen ik Quarantaine schreef, vroeg iemand me of ik opgelucht of verdrietig zou zijn als er opeens geen mensen meer zouden zijn die je konden raken en ik zei: opgelucht. Maar dat was in 2015, een andere fase in mijn leven.”

Was je toen ook al bezig met Verdwijnpunt?

„Dat boek was er al heel lang, op de achtergrond.”

Is het de sleutel tot begrip van je werk?

Ze zucht. „Dat is het risico van persoonlijke non-fictie, dat mijn hele schrijverschap tot dit ene boek wordt teruggebracht. Het is mij te eendimensionaal.”

Ze heeft hoorbaar geen zin om erover door te praten, dus praten we eerst over haar achtergrond. Ze is opgegroeid in de bollenstreek. Haar moeder werkt in de zorg, haar vader doet „iets technisch”. Eén broer, drie jaar ouder dan zij. Ze studeerde sociale geografie en politicologie in Amsterdam, rondde die laatste studie cum laude af en promoveerde aan de Universiteit Twente op een onderzoek naar expertise en spreekrecht. Ze raakte vooral in politicologie geïnteresseerd, zegt ze, door het werk van de Britse politicoloog en hoogleraar Steven Lukes. Voor hem is de ultieme vorm van macht: mensen iets laten doen waarvan ze denken dat ze het zelf willen. Tussendoor deed Wytske Versteeg een jaar toneelschool in Gent. Nu geeft ze les in creatief schrijven aan de hogeschool voor de kunsten in Arnhem en aan Wageningen University. Eerder werkte ze als onderzoeker aan de Universiteit Utrecht.

Het voelde als een plicht om gelukkig te zijn, niet-gelukkig zijn voelde als falen

Verdwijnpunt begint met haar opname, voor een weekend, in een centrum voor geestelijke gezondheidszorg, na jarenlang verzet tegen inmenging van welke psycholoog dan ook. Als to be or not to be de vraag was, dan helde zij, schrijft ze, gevaarlijk over naar not to be. De psychotherapeut in het centrum noteert als behandeldoel dat ze weer „een eenheid” wil worden. Wytskes woorden. Wat haar „uit haar eigen bestaan gegooid heeft” kan ze in twee zinnen opschrijven: „Heb het gevoel alsof ik in één ruimte opgesloten zit met vroeger, en alsof die ruimte steeds kleiner wordt. Ben bang dat ik er niet meer uit kom.” De psychotherapeut heeft er een andere formulering voor: chronische posttraumatische stress-stoornis. En dan, tien bladzijden verder: „Ik ben tussen ongeveer mijn vierde en mijn elfde jaar misbruikt door mijn opa.” Geen details, behalve dat ze weet dat ze op haar vierde een week bij haar opa en oma logeerde, erge heimwee had en hij haar kwam troosten. Toen was het begonnen. En de herinneringen eraan beginnen op te spelen als ze in haar eerste studiejaar twee keer na elkaar in de trein wordt aangerand. Freud zou zeggen dat de oorspronkelijke wond waarneembaar wordt door de nieuwe verwonding, en dan gaan ze elkaar beïnvloeden. Of zoals Wytske Versteeg in Verdwijnpunt schrijft: zonder A zou B niet traumatisch zijn, en omgekeerd beïnvloedt B de manier waarop A achteraf beoordeeld en ervaren wordt.

Je begreep later pas wat je opa gedaan had?

„Ja. Ik had mezelf altijd voorgehouden dat je, als zoiets gebeurd is, nette herinneringen hebt. Heldere herinneringen, geordend. Dat waren die van mij niet en dan is het gemakkelijker om tegen jezelf te zeggen: het zal wel niet. Maar toen de herinneringen aan die incidenten in de trein dezelfde vorm kregen en ook niet helder waren, en er stukken misten, kon ik dat niet langer volhouden. Ja, ik ken het debat over hervonden herinneringen en wantrouw het geheugen. Als wat iemand over zijn of haar jeugd vertelt te precies klinkt, te afgerond, ben ik geneigd het niet te geloven. Je weet niet tot in detail hoe de dagen er uitzagen als kind. Ik heb het ook niet over hervonden herinneringen. De herinneringen waren er altijd al, maar vóór de gebeurtenissen in de trein kon ik ze gemakkelijker wegredeneren.”

Eerder speelden ze niet op?

„Indirect. Ik was lid van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie, en ik weet nog hoe ik in paniek kon raken als we bij het kampvuur lagen en iemand legde, helemaal onschuldig, zijn hoofd op mijn buik. Of er kwamen beelden bij me op… Zelfs nu denk ik: waren dat geen beelden die ik er later op heb geplakt? Maar nee, de kamer… de kleren die hij droeg…” Ze onderbreekt zichzelf. „Ik wil er niet over praten. Het zou gemakkelijker zijn als het om een onbekende man ging, een vreemde, maar dit gebeurde in de familie en daar heb ik rekening mee te houden.”

Je groeide verder normaal op?

„Wat is normaal? In termen van prestaties heb ik altijd normaal gefunctioneerd. Je houdt jezelf door hard te werken overeind, de buitenkant werd alleen maar succesvoller. Maar na die incidenten in de trein stortte ik mentaal in. Ik was zeventien en woonde op kamers, en ik ben er toen met een huisgenoot over gaan praten, omdat ik bang was dat ik niet langer kon verbergen hoe ik eraan toe was.”

Waarom praatte je er eerder nooit over?

„Omdat het zo verwarrend is. Als je iets echt helemaal niet begrijpt, als het zo buiten alles valt waar wel over gepraat wordt, dan wordt het heel lastig. Het voelde als een plicht om gelukkig te zijn, niet-gelukkig zijn voelde als falen. En ik was lang een ongelukkig kind. Eenzaam en ongelukkig.”

Zonder je opa was je wel een gelukkig kind geweest?

„Weet ik niet. Ik was ook slimmer dan handig was op de basisschool. Ik trok mezelf terug uit de wereld en uit mijn lijf. Altijd lezen. Zonder die gebeurtenissen had ik dat misschien ook gedaan.”

In Verdwijnpunt zeg je dat je op zeker moment brieven naar je ouders bent gaan schrijven.

„Dat was in 2003, drie jaar na het begin van mijn studie. Ik had het contact verbroken, omdat het te ingewikkeld werd. Ik liep rond met een masker, en dat was bij mijn ouders thuis nog veel sterker dan op andere plekken. Ik wilde eerlijk zijn, wat in mijn idee dan eerlijk was. En dat lukte niet.”

Voor 2003 had je dat nooit geprobeerd?

„Nee.”

Waarover wilde je eerlijk zijn?

„Ik word nu terughoudend. Ik vind het prima om over mezelf te praten, maar niet te veel over mijn ouders. Ik was vrij eenzaam toen en er was geen manier om het er thuis over te hebben. Dat wilde ik doorbreken. Het lukte me niet om er een vorm voor te vinden.”

Hoe verbrak je het contact?

„Ik heb gebeld om te zeggen dat ik een tijd geen contact wilde hebben. Toen zijn we elkaar gaan schrijven in een poging om dingen op te helderen. Mijn moeder en ik dan. Zware brieven waren het.”

Wat schreef je haar?

„Eh… dat weet ik niet.”

Natuurlijk wel.

„Ik probeerde iets te schrijven vanuit mijn perspectief, heel eenzaam, en mijn moeder schreef vanuit haar perspectief, ook heel eenzaam.”

Je schreef haar wat er gebeurd was?

„Ja.”

Geloofde ze je?

„Ja.”

Wist ze het?

„Nee. Het was een schok voor haar, maar ze geloofde me. Los van mijn verhaal waren er eh… andere dingen die dezelfde kant uit wezen.” Haar opa was in 2003 al overleden, haar oma leefde nog. Zij geloofde haar ook.

Wat was je opa voor man?

„Aan de ene kant hartelijk, vrolijk, veel met eten bezig. Aan de andere kant kleinzielig. Brieven met klachten naar de krant sturen. Verder weet ik het niet. Ik heb hem alleen als kind gekend.”

Ging het hem om de seks of om de macht?

„Wat een vraag, zeg. Geen idee. Of nou ja, als ik het zeg, schrijf jij het op.”

Waarom zou je het niet zeggen?

„Omdat ik er nooit in zulke directe termen over praat, of überhaupt over praat. Hij was ook de vader van mijn moeder. Daar heb ik rekening mee te houden. Ja, er is nu wel een boek. Dat is voor de familie toch al geen feestje.”

Ze heeft, zegt ze, veel gehad aan boeken waarin mensen eerlijk vertellen over geweld dat hun is aangedaan. We hebben het over A little life (2015) van de Amerikaanse schrijver Hanya Yanagihara, over een man die als kind misbruikt is. Voor Wytske Versteeg is het gevoel dat daarin beschreven wordt echt – „het klopt” – al vindt ze de opeenstapeling van gebeurtenissen in het boek wel wat melodramatisch.

Heb je overwogen om je ervaringen te verwerken in een roman?

„Ik ben een beetje allergisch voor romans die dun verhulde werkelijkheid zijn, en waar vervolgens van wordt gezegd: het is maar een roman. Verdwijnpunt kon geen fictie zijn, maar waarom, dat weet ik niet eens helemaal. Misschien omdat het laf zou voelen. En dit is op dit moment het beste wat ik als schrijver te geven heb.”

Uit je romans stijgen dezelfde thema’s op als uit Verdwijnpunt.

„Je schrijft over de dingen die je als schrijver echt raken, die maken dat er iets voor je op het spel staat, en ja, dat is bij mij: contact willen maken en niet kunnen, aanraken en aangeraakt worden, hoe dicht je bij iemand kunt komen, kwetsbaarheid. En wat ís kwetsbaarheid, en is dat goed of slecht? Wat kun je met taal? Wat kunnen woorden zeggen? Begrijpen we elkaar als we praten? Dat zijn de vragen waar ik mee bezig blijf.”

Is het ook een bericht aan je moeder?

„Niet bewust. Lees jij het erin?”

Je laat de lezer voelen dat je het heel erg vindt, geen contact.

„Dat is ook heel erg.”

Je hebt het sinds 2003 nooit meer geprobeerd?

„Mijn moeder schrijft mij geregeld, en ik schrijf soms terug. Maar elkaar zien, fysiek zien, nee.”

Wat schrijft je moeder je?

„Dingen over hun leven, dat ze van me houdt, dat ze trots is. Ja, mijn ouders lezen mijn boeken.”

Zou je willen dat het goed kwam?

„Ja, natuurlijk. Maar ik moet eerst op een plek zijn waarop ik niet meer snel uit evenwicht raak. Ook al ben je bejaard, als je teruggaat naar het gezin van herkomst val je in de rol van het kind dat je was. Voor ik dat kan, moet ik steviger in mijn schoenen staan.”

Je hebt geen kinderen.

„Nee.”

Komt dat door je verleden?

„Dat is er zeker niet los van te zien.”