Roekeloze avocadoknijper biedt kansen voor de voedselpil

Wekelijks stuit Karel Knip in de alledaagse werkelijkheid op raadsels en onbegrijpelijke verschijnselen.

Deze week: klanten die besmetten door te betasten, bevoelen en beknijpen.

Het meest bevoeld en beknepen zijn ongetwijfeld de avocado’s.
Het meest bevoeld en beknepen zijn ongetwijfeld de avocado’s. Foto Getty Images

Nog steeds is niet goed bekend op welke soorten ondergrond coronapartikeltjes het langst infectueus blijven. In de Journal of Hospital Infection verscheen een reviewartikel dat het voor verschillende coronavirussen inventariseerde. De New England Journal of Medicine bracht uitkomsten van Amerikaans onderzoek aan de stabiliteit van het virus zelf en medRxiv publiceerde soortgelijk werk van onderzoekers uit Hongkong.

De resultaten zijn niet allemaal in lijn, maar opvallend is de lange ‘houdbaarheid’ op roestvrijstaal en het relatief snelle verlies van besmettelijkheid op papier en karton. Deze typische eigenschap van poreuze, vezelachtige materialen was al lang bekend. Wikipedia vermeldt het onder het lemma ‘fomite’, de Engelse aanduiding voor oppervlakken die makkelijk besmet raken en blijven. Deurkrukken vallen eronder, maar ook kleren en natuurlijk allerlei verpakkingen.

Voor de consument die de supermarkt bezoekt blijft het maar raden welke producten het meest besmet kunnen zijn. Ze hebben niet allemaal dezelfde verpakking en ze laten zich niet allemaal even makkelijk wegnemen. Wat is al door vele handen gegaan, wat is het meest betast, bevoeld en beknepen? Dat is steeds opnieuw de vraag.

Meloenen en verse vijgen

Denk na en denk mee. Het meest bevoeld en beknepen zijn ongetwijfeld de avocado’s die maar zelden zo eetrijp zijn als Albert Heijn beweert. De harige kiwi’s staan op nummer twee, later in het jaar komen de meloenen en de verse vijgen. In de kisten appels en sperziebonen wordt ook flink gewroet en gewoeld. Vergeet de buitenlandse kaasjes niet die te vers of ‘te ver heen’ kunnen zijn.

Het ongehinderd betasten hangt logisch samen met het zelfbedieningssysteem dat kort na de oorlog geïntroduceerd werd. En met de populariteit van het soort ambachtelijkheid dat ook de ‘streekboer’, met zijn eieren nog warm van de kip, zo populair maakt.

Een eeuw geleden veerde de consument op als hij levensmiddelen untouched by human hands in huis kon halen. Scientific American schreef in maart 1916 bewonderend over ultramoderne broodfabrieken die brood bakten zonder dat er een mensenhand aan te pas kwam. Popular Science (1933) was enthousiast over het handsfree bottelen van melk in doosjes van karton. Rozijnen, babyvoeding, worstjes, triscuits, bacon en blikgroenten belandden onaangeraakt in hun verpakking en iedereen zag er de vooruitgang in. Zelfs de chocola van Willy Wonka werd nog untouched by human hands geproduceerd. Toen was het toch al 1964.

Industriële voedselproductie

Het is niet ondenkbaar dat de coronacrisis de afkeer van volautomatische industriële voedselproductie weer wegneemt. Wie zich de authentieke, kleinschalige en ambachtelijke markten van Wuhan voor de geest haalt kan zo maar sympathie ontwikkelen voor het ‘synthetische voedsel’ dat een paar decennia geleden zo in de belangstelling stond. Niet het eten van het soort Marmite, Rivella, TVP, surimi, aspartaam, Quorn of het rare Olestra, maar voedsel dat bereid moest worden uit industriële grondstoffen als aardolie en aardgas. In de jaren zestig kweekte British Petroleum gisten op aardolierestanten en liet Shell bacteriën groeien op methaan en methanol. In beide gevallen ging het om de eiwitten die uit de microben te winnen waren. Staatsmijnen bouwde een proeffabriek voor de productie van het aminozuur lysine uit caprolactam, grondstof voor nylon. Aan de basis stond de vrees dat de traditionele landbouw de wereldvoedselvraag niet aan zou kunnen.

Het werd niks maar het kan nog komen. Bedenk dat de vrijkomende landbouwgrond weer kan worden omgezet in wilde natuur en dergelijke. Wij van AW hopen nog steeds op de definitieve doorbraak van de voedselpil, de handzame pil zó boordevol calorieën, vitaminen en mineralen dat je er voor een hele dag genoeg aan had. De lichtgewichtkampeerder wil hem ook.

De herkomst van het concept ‘voedselpil’ (de ‘food pill’ of ‘meal-in-a-pill’) wordt beschreven in een essay dat historicus Warren Belasco publiceerde in Food and Foodways (2000). De Duitse chemicus en landbouwkundige Justus von Liebig en de Franse chemicus Marcellin Berthelot hadden in de negentiende eeuw zó precies beschreven wat de essentiële bestanddelen waren van voedsel dat duidelijk was geworden dat het gangbare voedsel ook veel ballast bevatte. Liet je die weg dan konden de dagelijkse porties veel kleiner worden. (Ach, lees het essay, het is veel gecompliceerder. De vrouwenbeweging, angst voor microben, back-to-nature-verlangens, moderne efficiency, de lopende band van Ford, álles had er mee te maken.)

Hoe klein is de pil?

De voedselpil kreeg al een beetje vorm in de bouillonblokjes die Liebig (en de Zwitserse ondernemer Julius Maggi) ging produceren, al kon je daar bij lange na niet een dag op leven. Hoe klein zou de pil eigenlijk kunnen zijn? Daar valt wel een slag naar te slaan als je ervan uitgaat dat de pil louter natuurlijke bestanddelen zou bevatten en dat een volwassene per dag zo’n 11 megajoule (2.650 kcal) aan energie nodig heeft. Geen voedingsbestanddeel bevat op volumebasis zoveel energie als vet en olie, het is wel 35 kilojoule per cm3. De voedselpil moet dus minstens 315 cm3 groot zijn. Denk aan een bol kokosvet met een diameter van 8,5 cm: een flinke sinaasappel. Wordt een deel van het vet vervangen door eiwitten en koolhydraten dan wordt-ie nog groter, dan gaat het al richting grapefruit. Dat valt dus een beetje tegen, het geval zou nog zwaar op de maag liggen. Anderzijds: als de bollen er nu waren had je in een wip eten voor een week in huis gehaald. Wie wil dat niet?