Reportage

Meanderende rivieren? Dat is niks voor Nederland

Rivieren In oostelijk Nederland kronkelen riviertjes op een heel typische manier door het landschap. Meanderen mag het niet heten. Op pad langs de Dommel in Noord-Brabant. „Bochten vormen zich onafhankelijk van elkaar.”

Jasper Candel doet grondboringen langs de Dommel.
Jasper Candel doet grondboringen langs de Dommel. Foto John van Hamond

De grondboor moet nog een stuk dieper. Jasper Candel gooit zijn gewicht weer op het stalen, horizontale handvat, en draait met de klok mee. De boor werkt zich naar beneden, maar niet meer zo ver als net. „Het begint moeilijker te gaan. Dat betekent dat het kleiiger wordt”, zegt Candel.

We staan in een drassig weiland aan de rand van Sint-Oedenrode. Twee meter verderop kabbelt het riviertje de Dommel, dat zich hier door het landschap kronkelt. Candel heeft deze oever, aan de buitenkant van een bocht, uitgezocht om zijn onderzoek te illustreren waarop hij medio februari cum laude is gepromoveerd aan de Wageningen Universiteit. Hoe hebben die kronkels zich hier ooit gevormd, honderden, duizenden jaren geleden? Candel heeft dat onderzocht voor drie rivieren, allemaal met een lage stroomsnelheid, zogeheten laag-energetische rivieren. Deze zijn typisch voor de ‘rechterhelft’ van Nederland, zegt hij. „Hier is het landschap nog licht hellend en stroomt het water af. Verder naar het westen wordt het helemaal vlak en zie je zulke riviertjes niet.”

Hij heeft de rivieren uitgezocht op hun verschillende ondergrond. Bij de Dommel bestaat die uit een van plek tot plek variërend mengsel van zand, klei, veen en grind. De Drentsche Aa ligt in veenbodem. En de Overijsselse Vecht bedt in zand. Die ondergrond blijkt cruciaal voor de patroonvorming, zo heeft Candel ontdekt. Tot nu werden laag-energetische rivieren in twee groepen ingedeeld: meanderend of stabiel. „Maar het is veel complexer.”

Historische landschapskaarten

Aanleiding van het onderzoek zijn de tegenvallende resultaten van rivierherstel in Nederland. Op veel plekken hebben waterschappen en natuurorganisaties de afgelopen decennia geprobeerd de kronkeling van rechtgetrokken rivieren terug te brengen. Hermeandering, heet het. Want juist in de dynamische, hellende rivierbochten is de biodiversiteit vaak groot. Dus wordt de oude situatie hersteld. Meestal gebeurt dat op basis van historische landschapskaarten. Maar de voorbeelden waarbij het herstel verkeerd uitpakte, zijn legio. Zoals De Tungelroyse Beek, de Buurserbeek, de Midden Regge en de Astense Aa. De rivier blijkt na herstel toch niet te meanderen zoals verwacht. Of hij werkt zich een verkeerde kant op. De biodiversiteit verbetert zich in ieder geval stukken minder dan gehoopt.

Jasper Candel test de grondsoort door een beetje in zijn mond te stoppen. Als het knarst, is het niet honderd procent klei.
Foto John van Hamond
Foto John van Hamond
Foto John van Hamond

Candel trekt de boor weer omhoog, en haalt er stukken grond uit. „Je ziet ook dat het vanaf ongeveer anderhalve meter diepte kleiiger wordt”, zegt hij en wijst. „Het wordt dan grijziger.” Hij pakt een beetje van de grond en stopt het in zijn mond, tussen zijn voortanden. Krrr, krrr. „Hoor je hoe het knarst”, zegt hij. Dat wil zeggen dat het nog niet honderd procent klei is. „Want die is zo zacht als boter.” Er zit nog zand tussen. Als hij hier met studenten is, vertelt Candel, die ook doceert aan de universiteit, laat hij ze dit proefje doen. „Dat vinden ze niet leuk”, zegt hij.

Op een muur gestoten

In deze omgeving, bij de Dommel, heeft Candel ruim tweehonderd boringen gezet. En gaandeweg, zegt hij, begon hij het principe door te krijgen. Bij buitenbochten bevat de ondergrond meer klei en veen, en is daardoor compacter en steviger. „Het is alsof een rivier daar op een muur is gestoten. Omdat de stroomsnelheid zo laag is kan hij die niet eroderen.” De binnenkant van een bocht daarentegen is juist zanderig. Daar kan de rivier wel verder uitslijten. En dus maakt hij op zo’n plek een bocht. „Vaak zijn die heel scherp”, zegt Candel. Het is een compleet ander principe dan een meanderende rivier, legt hij uit. Want daar hebben de opeenvolgende bochten invloed op elkaar. „Een buitenbocht erodeert almaar verder, en het sediment belandt deels in de volgende binnenbocht, die zich daardoor verder naar binnen verlegt.” Zo krijg je van die mooie golven.

In een landschap zoals bij de Dommel werkt het heel anders. Het patroon is ook grilliger. „Bochten vormen zich onafhankelijk van elkaar.” Een rivier werkt zich langzaam vast in het landschap. Eenmaal gevormde buitenbochten eroderen niet verder en liggen vast. De nog oorspronkelijke oever waar we staan, is er een bewijs van. De klei in de bodem is volgens Candel 7.000 tot 8.000 jaar oud. Voor dit proces heeft hij een nieuwe term bedacht: een zichzelf vastleggende rivier.

In een diepe vallei

Vanuit een scherpe bocht in de rivier verschijnen twee zwanen. Ze drijven nog even rustig voort, maar houden dan halt en blijven ons van een afstand gade slaan. Candel heeft net het onderste deel van z’n grondboor losgeschroefd en er een guts tussen gezet. Hij duwt de boor de grond in, tot waar hij was gebleven, springt weer op, en laat zich op het handvat vallen. Hij heeft genoeg tussenstukken om tot 5 meter diep te gaan, puft hij. „Pff, het is zwaarder dan ik dacht. Ik ben het weer een beetje verleerd.” Zijn handen, trui en broek zijn inmiddels besmeurd met kleivlekken. Steeds haalt hij nieuwe grond omhoog. Er zit inmiddels ook „ontzettend compact” veen bij. „Kijk, stukjes riet. Gaaf hè.” Hij vertelt dat de plantenresten nog een stuk ouder zijn dan de bovenliggende klei. Circa 9.500 jaar oud. Hij wijst ook op „vogelpoepachtige” verkleuringen. Het is sideriet, een ijzerverbinding, doceert hij enthousiast.

Sommige bochten verplaatsten met wel

Jasper Candel onderzoeker

Ook voor de Drentsche Aa, een rivier in veenbodem, legde Candel een nieuw principe bloot. „Veenbeken zijn helemaal fascinerend”, zegt hij. Vroeger, duizenden jaren geleden, lag het riviertje in een diepe vallei. „Dat was m’n eerste ontdekking daar. De vallei lag acht meter lager dan nu.” Toen het na de laatste ijstijd begon op te warmen, kreeg je in die vallei op een gegeven moment veengroei. „En veen is heel stug materiaal”, vertelt Candel. Daar kan een laag-energetische rivier niet eroderen. De enige plek waar dat nog wel kan, is aan de randen van de vallei. „Daar is het zanderig.” Dus aan de valleirand wordt de oever langzaam uitgesleten, de rivier verplaatst zich langzaam naar buiten. Het komt voor dat op de ene plek de linkeroever van een rivier is uitgesleten, en even verderop juist de rechteroever. In de tijd zijn die twee dus verder uit elkaar gedreven.

Maar hoe zat het met het stuk daartussen? Verbrak de rivier niet? „Hoe het op die oversteekstukken ging weet ik nog niet”, zegt Candel. In ieder geval heeft hij voor het patroon van een rivier in veenbodem ook een naam bedacht: diagonale aggradatie. Lijkt het op meanderen? „Helemaal niet.”

De sterkte van de oever

Van de Overijsselse Vecht ontdekte Candel dat daar 500 jaar geleden in de wijde omgeving massaal het hoogveen is afgegraven. De sponswerking van het stroomgebied verdween, neerslag kwam meteen in de rivier terecht. Daardoor kon de rivier volop gaan meanderen in z’n zandige bodem. „Sommige bochten verplaatsten met wel 2 tot 3 meter per jaar.”

Candel eindigt met een tip voor waterschappen en natuurorganisaties. Let bij hermeandering niet op de vorm van de rivier, maar op de ondergrond. „Oeversterkte is een belangrijke voorspeller voor het patroon dat de rivier gaat vormen.” En noem het dan ook geen hermeandering meer. Die term geeft de variëteit in riviersystemen niet weer.

We zijn klaar. Candel pakt zijn spullen bij elkaar. Als laatste stopt hij de gaten die hij heeft geboord weer dicht. Voor de koeien die hier soms grazen, zegt hij. „Dat ze niet in zo’n gat stappen en een poot breken.” Hij begint te glimlachen. „Ik herinner me nu die ene keer dat ze al mijn boterhammen hadden opgegeten.”