Necrologie

Hans Verhagen dichtte zonder terughoudendheid: vurig, met humor en geëngageerd

Hans Verhagen (1939-2020) Weinigen lieten maatschappelijke onrust zo doorklinken als dichter Hans Verhagen. En schaamteloos sentimenteel was hij ook. Dichter kreeg ooit zijn geloof in de poëzie terug door Verhagens gedichten.

Dichter Hans Verhagen in 2009, toen hij uitgeroepen werd tot winnaar van de P.C. Hooftprijs voor zijn poëtische oeuvre.
Dichter Hans Verhagen in 2009, toen hij uitgeroepen werd tot winnaar van de P.C. Hooftprijs voor zijn poëtische oeuvre. Foto Evert Elzinga

Ik dacht al eens dat hij al was overleden, maar hij bleek nog in leven. Nu niet meer: al gaan dichters nooit echt dood, Hans Verhagen is niet meer. De dichter, die in 2009 de P.C. Hooft-prijs ontving voor zijn oeuvre, “vanwege zijn humor, zijn engagement, zijn poëtische durf en eigenzinnigheid”, is op 81-jarige leeftijd overleden, zo werd vrijdag bekend.

Met Armando, Hans Sleutelaar en Cornelis Bastiaan Vaandrager zette Hans Verhagen (Vlissingen, 1939) zich vanaf begin jaren zestig af tegen de lyriek en het ‘te dichterlijke’ van de Vijftigers, die eerder op hun beurt de nodige literaire conventies hadden losgewrikt. De groep van vier, verenigd rond de tijdschriften Gard Sivik en De Nieuwe Stijl, viel redelijk rap weer uiteen, het lot van elke literaire bent, waarna de poëzie van Verhagen minstens zo vol sentiment bleek als die van de voorgaande generatie.

Steeds minder koele toon

Zeker in het begin ogen Verhagens gedichten nog nieuw en zakelijk, zoals in de debuutbundel Rozen en motoren (1963): ‘De 1e m2 emotie met gedachten als met voeten/ tredend betreden /zij hun schoeisel’. Zelfde verhaal in de opvolger Sterren cirkels bellen (1968): ‘Elke ruimte wordt tot op de mm. benut’, het gaat nog echt op z’n Vaandragers, maar reeds dan klinkt ook een veel minder koele toon, zoals in de cyclus ‘De droom van een dichter’:

Laat mij je meenemen
waarheen de dromen leiden
die het langste in de herinnering blijven.

Wolken van koper…

Een dagdroom in oker.

De bundel Duizenden zonsondergangen (1971) bevat zelfs de nodige romantische overdoses (‘Je zei dat je zou komen,/ ik heb op je gewacht./ Je zei dat je bij mij zou blijven,/ ik ben alleen gebleven.’), soms overlopend in kitsch: ‘Niets is beter dan haar naam in neon/ boven de povere inscriptie van mijn hart,/ beneden, in het stof der stegen’.

In Kouwe voeten (1983) hervindt Verhagen zijn stilistische swag: ‘In een wereld zo vol gootstenen/ leek leven gelijk aan verdwijnen - / we verdwenen; met onze geheimen.’ Die bundel verscheen na een stilte van twaalf jaar: er was televisiewerk geweest dat afleidde, gebruik van middelen, er was een schnabbel als internationaal goudsmokkelaar (!), Jezus kwam voorbij en verder was Verhagen misschien ook gewoon wel even zijn stem kwijt.

Toch telt zijn verzameld dichtwerk zevenhonderd pagina’s, waarvoor hij in 2009 de P.C. Hooftprijs voor poëzie kreeg. Toen hem werd gevraagd of hij een beetje blij was met die toekenning, bitste de dichter: „Ze hebben nog geen cent overgemaakt.” Typisch Verhagen, die loftuitingen nog moeilijker kon verdragen dan kritiek.

Jonge hond

We maken een sprong naar 2004, toen Verhagen op zijn 65ste als een jonge hond opnieuw leek te debuteren, vitaler en vlammender dan ooit. Moeder is een rover heette de bundel, die in je vingers brandde als je ’m beethield. Ineens was Verhagen er weer, scherper en riskanter dan ooit tevoren, en meteen was duidelijk dat deze tijd vroeg om juist zijn stem, om poëzie zo op het nu geschreven.

De bundel verscheen drie jaar na 9/11, Pim Fortuyn was twee jaar dood en Theo van Gogh stond op het punt om te worden afgeslacht. Niet veel dichters lieten de maatschappelijke onrust zo zichtbaar in hun werk doorklinken, ook toen nog werd engagement als poëtische begingedachte doorgaans verworpen. Want dichtkunst moest op zichzelf staan, het ging om taal, de hele taal, niets dan de taal. Verhagen walste met zichtbaar genoegen over dat wezenloze dogma heen en ging foeterend vol op het orgel. Want zo opent Moeder is een rover:

Die het kwade spreken krijgen steeds meer te vertellen
In dit ondermaanse licht ontleend aan schaduwen
anderen de vingers breken tot ze niet meer meetellen
om ooit de sultans ezel voor zich uit te mogen duwen

Verhagen dicht behendig en sierlijk (‘De kinderen der schepping dwarrelen, wat dwarrelt smelt/ wat smelt bedwelmt/ Wie per tunnel reist ontduikt de dwarreldood/ elke dag’), en soms ook helder en ongekend to the point:

Een uitverkoren testpiloot haalt z’n
uitzicht binnen, schort z’n inzicht op
en bestelt gregoriaans gezang
alvorens zich te boren in de picknick op de lawn

Het lekkerst is het als het gaat tetteren, een verbale spree shooting waaronder je de waan van de dag voelt broeien als gif onder een golfbaan:

revitaliserend als een aapse clown, kwam
je onder dekking van de smook uit alle macht
door de loodzware vitrages binnenrollen
op voltage krijsend, vals en vol vlammen

Afvallende ballen

Na Moeder is een rover verschenen nog twee sterke bundels, Draak (2006) en Zwarte gaten (2008), waarna ik Verhagen een beetje uit het oog verloor. Eerlijk gezegd dacht ik op een gegeven moment dat hij niet meer leefde, maar misschien zei dat meer over mij dan over hem. In de slotcyclus in Alle gedichten, Implosie (2009) gaat Verhagen nog één keer los, over ‘afvallende ballen’ en ‘killer-kwallen’, over ‘papegaaise pracht’ en het langgerekte ‘pad van prenataal naar postuum’. Aan het einde van die serie van zes gedichten speelt Hans Verhagen een droef slotakkoord over de onmacht van de taal:

Met al mijn lyrische geneeskracht
heb ik nog geen enkel wezen
van het sterfbed teruggebracht

om te besluiten met:

Mooi weer spelen was alles wat ik deed
en mijn lievelingen gaven evengoed de geest
Ooit zullen haar ogen mij hebben gezocht
maar ik moet ergens anders zijn geweest

Dit is lyriek en dichterlijk sentiment van hier tot Tokio. Zonder enige terughoudendheid, en waarom zou je die ook betonen, memoreert de meester nog een keer zijn geliefden, zijn moeder (die overleed toen hij negentien was) en zijn ex Conny (die in 1986 uit het leven stapte). Hans Verhagens ‘lyrische geneeskracht’ redde geen levens, maar gaf mij wel het geloof in de poëzie terug.