Interview

De mens zit thuis. Maar wat doet de natuur?

Coronalente „Een nieuwe lente en een nieuw geluid”, dichtte Herman Gorter al in 1889. Het lijkt haast wel of de natuur dit voorjaar éxtra van zich laat horen: uit volle borst zingende vogels, uitbundig bloeiende bloesems… En op de A27 bij Eemnes dook zelfs een vrolijk huppelend lammetje op. Hebben de Nederlandse coronamaatregelen invloed op de natuur? Tien natuurkenners geven hun visie.

De fenoloog

Het eerste kievitsei, de eerste bloeiende pinksterbloem, de eerste steekmug: het bestuderen van jaarlijks terugkerende natuurverschijnselen valt onder de fenologie. Veranderingen in de timing van zulke gebeurtenissen kunnen onder meer inzicht bieden in de effecten van klimaatverandering. Het nieuwe coronavirus heeft daar geen invloed op, zegt bioloog Arnold van Vliet, die onder andere de websites NatureToday en Tekenradar.nl beheert. Wel zullen mensen nu meer thuis zijn, en dat kan de kans vergroten dat een bloeiende plant of een zingende vogel wordt opgemerkt.

Van Vliet: „Eigenlijk zou het nu de Week van de Teek zijn, maar die is uitgesteld in verband met het virus. Een beetje jammer, want teken worden wel gewoon actief. Sterker nog: ze zijn actiever dan normaal door de hoge temperaturen. Ook in je tuin moet je alert zijn op tekenbeten. In voorgaande jaren was ruim een derde van de in april via Tekenradar gemelde tekenbeten opgelopen in de eigen tuin. Nu mensen veel tijd doorbrengen rondom huis, zou het aantal waarnemingen van tuintekenbeten nog hoger kunnen uitvallen. Desondanks is het leuk om de natuurrijkdom in je eigen omgeving te ontdekken. Via de app NatureToday.nl kun je zien welke vlinders, vogels en zoogdieren nu bij jou voorkomen en hoe ze eruitzien.”

De korstmossenexpert

Nu de luchtkwaliteit aanzienlijk verbetert door een forse afname van auto- en vliegverkeer, zou dat onder andere invloed kunnen hebben op korstmossen. Sommige soorten – zoals groot dooiermos en heksenvingermos – gedijen juist beter bij luchtvervuiling: hoe meer stikstofverbindingen er bijvoorbeeld in de lucht zijn, des te meer van deze gele en grijze korstmossen er zijn. Andere soorten zullen juist in aantal afnemen.

Korstmossenonderzoeker Klaas van Dort: „Ik heb nog geen grote veranderingen kunnen constateren. Dat gaat voorlopig ook niet gebeuren, denk ik, hoewel de lucht inmiddels flink is opgeklaard. In het milieu is nog steeds een overmaat aan voedingsstoffen aanwezig door verhoogde ammoniakconcentraties in de atmosfeer. Zowel bodem als boomschors (waar veel korstmossen op groeien) zijn in Nederland dermate geëutrofieerd dat het nog wel even zal duren voordat alle extra voedingsstoffen zover zijn uitgespoeld dat er significante verschuivingen in de soortensamenstelling merkbaar worden. Dat betekent niet dat er helemaal niets verandert. Twee maanden geleden is bijvoorbeeld nog een nieuw houtbewonend korstmos ontdekt in Nederland, het houtkroesje (Absconditella lignicola). De mensheid doet het wat kalmer aan, maar er gebeurt van alles in de natuur!”

De weidevogelbeschermer

In het Eindhovens Dagblad sprak Jochem Sloothaak, coördinator natuurbescherming bij het Brabants Landschap, zijn zorg uit over de terugloop van vrijwilligers die in het voorjaar nesten markeren in weilanden, zodat boeren eromheen kunnen maaien. „Doorgaans wordt 75 procent van de legsels uitgebroed. Zonder bescherming is dat niet meer dan 5 procent”, schat Sloothaak in dat artikel. Hoe is dat elders in het land? Theunis Piersma, hoogleraar trekvogelecologie van de Rijksuniversiteit Groningen, vermoedt dat het van plek tot plek zal verschillen. „In onze regio hier, in Zuidwest-Friesland, zie ik niet zoveel problemen. De boeren doen hun ding en de individuele vogelwachters ook. Het zal heel lokaal bepaald worden, en te maken hebben met wat vrijwilligers doen in termen van het redden van nesten – waarbij ook nog maar de vraag is of je daarmee ook de resulterende kuikens redt.”

De vleermuiskenner

Via het Javaans schubdier kwam het nieuwe coronavirus SARS-CoV-2 bij mensen terecht. Maar die schubdieren liepen het vermoedelijk op via de Chinese hoefijzerneus, een vleermuissoort. In Nederlandse media wordt daarom ook geageerd tegen Nederlandse vleermuizen: zouden die het virus niet óók kunnen verspreiden? Nee, zo staat te lezen op de website van de Zoogdiervereniging: de getroffen vleermuissoort komt alleen voor in Zuid- en Zuidoost-Azië, maar niet in Europa. Vleermuizen uit Zuid- en Zuidoost Azië staan ook niet in contact met populaties vleermuizen in Europa.

René Kriek uit Ter Apel is al decennia als vrijwilliger betrokken bij vleermuisonderzoek. „In Nederland kwamen er vroeger wel twee soorten hoefijzerneuzen voor – grote en kleine – maar die zijn hier nu allebei uitgestorven. Twee andere soorten, de meervleermuis en de laatvlieger, kunnen wel drager zijn van een ander voor mensen gevaarlijk virus: rabiës, dat hondsdolheid veroorzaakt. Maar ook daarvoor hoef je niet bang te zijn als je een vleermuis tegenkomt in het bos of in je huis. Onderzoekers die direct met de dieren in aanraking komen, krijgen wel een inenting.”

De vogelgeluiden­onderzoeker

Voor vogels betekent meer stadslawaai over het algemeen: harder en vaak hoger zingen, ontdekte bioloog Hans Slabbekoorn van de Universiteit Leiden jaren geleden al. Veel mensen melden dat ze tijdens de coronacrisis de vogels in hun omgeving beter horen, al zou dat ook kunnen komen door het feit dat mensen nu meer tijd in hun tuin of op het balkon doorbrengen. Zou het afnemende verkeerslawaai daadwerkelijk invloed kunnen hebben op vogelzang?

Slabbekoorn: „Over het algemeen verwacht ik dat vogels meer de liedjes zingen die ze zouden zingen zonder ons lawaai. In de volledige frequentierange, met het daarbij behorende rijkere repertoire aan liedjes. Dat zou voordelig voor ze kunnen zijn: harder en hoger zingen kan meer energie kosten en is zelfs minder aantrekkelijk. Bovendien kunnen vogels bij echt hard lawaai, zoals heel dicht langs snelwegen of onder startbanen op het vliegveld, gedeeltelijk of helemaal doof worden. Daardoor worden de vogels agressiever en wordt er meer gevochten in plaats van gecommuniceerd. Dat verhoogt het risico op gepakt worden door een roofvogel of een kat.”

De eikenprocessierups­bestrijder

Bijna een jaar geleden hield een heel ander natuurfenomeen Nederland in de ban: de eikenprocessierups. Momenteel komen de eerste rupsen weer uit hun eitjes, en vanaf half mei worden de eerste brandharen weer verwacht.

Invloed op de rupsen zelf heeft de coronacrisis niet, maar mogelijk ondervinden mensen wél meer hinder van de brandharen nu ze veel thuiszitten. Entomoloog Silvia Hellingman, die al tientallen jaren onderzoek doet naar de eikenprocessierups: „Juist in woonwijken heb je vaak monotone eikenlanen, en dat zijn plekken waar je problemen krijgt – in een gevarieerd loofbos worden de rupsen veel sneller opgegeten door natuurlijke vijanden, zoals koolmezen. Dus als je vanaf eind mei een blokje om maakt in de buurt of in de tuin werkt, wees dan bedacht op de brandharen. Anderzijds: dat veel evenementen zijn geschrapt, zou wel kunnen schelen.”

De Vereniging van Hoveniers en Groenverzorgers sprak eerder in NRC de zorg uit dat er een tekort zou zijn aan beschermende overalls voor eikenprocessierupsbestrijders. Hellingman verwacht geen grote problemen op dat vlak. „Het enige waar ik zelf hinder van ondervind in Nederland is dat ik niet met een hoogwerker de nesten hoog in de bomen kan bestuderen. In zo’n hoogwerker moet je veiligheidshalve met z’n tweeën staan, maar in zo’n klein bakje kun je onmogelijk 1,5 meter afstand houden.”

De boswachter

Even leek het erop dat het door de coronacrisis alleen maar drukker zou worden in de natuurgebieden. Maar oproepen van natuurorganisaties om juist op zonnige weekenddagen weg te blijven uit hun gebieden – om te grote toeloop te voorkomen – hadden effect: in het eerste weekend van april was het op de meeste plekken behoorlijk rustig. Ook in Het Nationale Park De Hoge Veluwe ziet boswachter Henk Ruseler een duidelijke terugloop van het aantal bezoekers, mede doordat het in het park gevestigde Kröller-Müller Museum gesloten is.

„Het is nu nog te kort dag om te zeggen wat het effect van die lagere bezoekersaantallen is op de natuur. Maar we hebben verspreid door het park zeventig wildcamera’s staan, die elke beweging detecteren – van de heide tot in het loofbos. Vrijwilligers bekijken al die foto’s en turven welke dieren erop te zien zijn. Zo krijgen we een goed beeld van welke activiteit er waar en wanneer in het park plaatsvindt. Dat project, Snapshot Hoge Veluwe, zijn we een paar jaar geleden samen met Wageningen University gestart. Nuworden de foto’s van vorig voorjaar geanalyseerd, en we hopen dit weekend te beginnen met de analyse van de huidige foto’s, om te zien of er veranderingen plaatsvinden – zoeken herten nu bijvoorbeeld juist meer het open veld op? Dat is een lichtpuntje in de coronacrisis: we kunnen opeens een uniek experiment uitvoeren.”

De natuurhistorisch­museumdirecteur

Op 26 maart twitterde Rijkswaterstaat dat er door het weinige verkeer steeds vaker wilde dieren op en rond de snelwegen te zien zijn – van zwanen tot reeën. Dat zou tot meer aanrijdingen kunnen leiden. Anderzijds is het verminderde verkeer voor veel dieren een uitkomst: voor padden bijvoorbeeld, die bezig zijn aan hun voorjaarstrek.

Kees Moeliker, directeur van het Natuurhistorisch Museum Rotterdam en auteur van het boek De Eendenman (over necrofilie en ander opmerkelijk diergedrag): „Wij krijgen vaak verkeersslachtoffers aangeboden voor onze collectie. Sinds de coronacrisis is dat aantal nog niet merkbaar af- of toegenomen. De lente is sowieso altijd een periode waarin dieren – vooral mannetjes – wat roekelozer gedrag vertonen, door alle hormonen. Dat zie je net zo goed bij mensen: ook in het Erasmus MC, naast het museum, schijnt er een jaarlijkse voorjaarspiek te zijn in het aantal verkeersslachtoffers.” Door het coronavirus is het museum nu noodgedwongen dicht. „Het is mooi om te zien dat veel mensen hun eigen tuin of balkon nu als een soort openluchtmuseum beschouwen. Wie tóch verlangt naar wat inhoudelijke achtergrondinformatie kan terecht op ons maandelijkse, nu digitale natuurspreekuur: als mensen thuis nog een schedeltje of een dood insect hebben liggen dat ze niet op naam kunnen brengen, kunnen ze ons een foto mailen.”

De stadsecoloog

Op de satirische website van De Speld was het al groot nieuws: „De zeemeeuwengemeenschap pleit voor een noodlevering van friet langs alle horecagelegenheden van de Nederlandse kustplaatsen.” Een boodschap met een kern van waarheid: meeuwen hebben hun werkterrein verlegd, nu de toeristen uit het centrum wegblijven, vertelt de Amsterdamse stadsecoloog Remco Daalder.

„Gewoonlijk zie je ze overal waar water is, tot op het Damrak aan toe. Nu zie je opvallend veel kok- en zilvermeeuwen in de weilanden rondom de stad, bij Landsmeer en Waterland. Te verwachten is dat dieren die van etensresten en afval leven het moeilijker hebben: duiven, ratten en kraaien. Voor de reigers maakt het weinig uit, die leven toch voornamelijk van zelfgevangen vis. Over effecten op broedsucces weten we nog niets. Meldingen van onverwachte dieren in de stad zijn er nog niet geweest.”

De evolutiebioloog

Hoewel de maatregelen rondom de coronacrisis veelal nog te kortlopend lijken om duidelijke invloed op de natuur uit te oefenen, betekent dat niet dat er geen gevolgen zullen zijn, zegt evolutiebioloog Menno Schilthuizen, werkzaam bij de Universiteit Leiden en Naturalis en auteur van het boek Darwin in de stad.

„Ook op zeer korte termijn kan evolutie plaatsvinden. We zien vaak verschuivingen in de erfelijke eigenschappen van dieren en planten als er bijvoorbeeld een uitzonderlijk droog of nat jaar is geweest. Evengoed zou je kunnen verwachten dat een jaar waarin de gehele menselijke populatie zich op een uitzonderlijke manier gedraagt een blip op de evolutionaire radar zal geven. Dat zul je vooral zien bij soorten die een nauwe band met ons hebben. Stadsvogels die normaal gesproken leven van menselijke etensresten krijgen het nu moeilijk en dus zullen individuen die beter in staat zijn om terug te keren naar een meer traditionele manier van foerageren in het voordeel zijn, beter overleven en meer nakomelingen krijgen. Als die eigenschappen erfelijk zijn, zal dat volgend jaar zichtbaar zijn als een kleine evolutionaire verschuiving. Maar de grootste evolutionaire verandering die je kunt verwachten is juist bij die organismen die voor hun voortplanting en verspreiding afhankelijk zijn van menselijk contact: pathogene of symbiotische bacteriën en schimmels bijvoorbeeld, en zelfs het coronavirus zelf.”