Correspondent Bram Vermeulen: ‘Thuis is waar mijn dochter is’

Thuis Kaapstad bleef voor correspondent een onenightstand: ontbijten, pleiten. Tot corona.
Kaapstad, Zuid-Afrika. Het land is in lockdown.Mike Hutchings/Reuters
Kaapstad, Zuid-Afrika. Het land is in lockdown.Mike Hutchings/Reuters

Ver, ver voor het virus met de naam corona opdook, vroeg ik mij af waar mijn thuis was. Nederland ligt bijna twintig jaar achter me. Ik vertrok in 2001 naar Johannesburg en kwam nooit meer terug. Maar thuis werd die stad nooit. Te veel sloten. Te veel sleutels. Te veel muren en, om eerlijk te zijn, te veel aangeprate angst. In Johannesburg wonen is als Russische roulette, werd me verteld. Op een dag ben je aan de beurt.

Die dag kwam. Bij de schemering in het park, tijdens het uitlaten van de honden, werd me het hemd van mijn lijf gescheurd door twee mannen, een grote en een kleine. Die grote had zijn hand in de binnenzak van zijn jas en schreeuwde: „Ik ga je vermoorden.” Ik gaf mijn portemonnee en telefoon en ze verdwenen.

Een paar dagen later stonden dezelfde overvallers om middernacht mijn voordeur open te breken. Het adres stond op mijn visitekaartjes in de gestolen portemonnee. Ik gilde en begon als een razende op de deur te bonken. De grote en de kleine renden weg. Ik dacht: is dat het nou, die beruchte misdaad van Johannesburg? Maar ik wist: ik moet hier weg.

Ik werd verleid door Istanbul. „Ga maar eens kijken”, mailde de buitenland-chef van de krant. De beslissing voor de intercontinentale verhuizing namen we aan de haven van Bebek, waar de vissersbootjes dansten op het water van de Bosporus. Het was mei, de lucht zag blauw van verwachting. De terrassen waren vol, er klonk gerinkel van glazen en kopjes. Ik pakte de videocamera om dat moment vast te leggen als onweerlegbaar bewijs. „Let’s do this”, zei ze.

Ik heb haar vaak aan die woorden moeten herinneren. Ze miste thuis, haar stad van twee oceanen, de bomen, een taal die ze kon verstaan. Na een jaar vertrok ze, met onze vier jaar oude dochter. Terug naar Zuid-Afrika. Vanaf dat moment werd Istanbul werk. Geen thuis. Ik werd een forens tussen Istanbul en Kaapstad. Mijn perskaart werd ingetrokken en aan de grens vertelden ernstig kijkende politieagenten dat ik een onwelkome gast was in hun republiek. Waarom ze dat vonden, zeiden ze er niet bij. Met diplomatieke druk werd die pesterij opgelost. Maar ik wist: ik moet hier weg.

Terug naar het vaderland

Ik keerde terug naar Kaapstad en mijn kind. De stad waar ik mijn koffer pakte voor de volgende reis. In die koffer zit een mapje met simkaarten van alle bestemmingen van de afgelopen jaren. Ik ben een mens zonder abonnementen, een prepaidman, ‘terminal man’, zoals een vriendin ooit grapte, als ik weer eens uit een aankomst- of vertrekhal belde. Alles aan het bestaan van een correspondent is voorlopig. Je weet dat je altijd weer weg moet. En dat weten ook de mensen op de plek waar je bed staat. Ze hechten zich minder. Je bent altijd degene die op feesten ontbreekt. „Fuck Mugabe”, zei een vriend toen ik afbelde voor zijn verjaardag omdat ik weer in Zimbabwe zat. Kaapstad bleef een onenightstand: ontbijten, pleiten.

Lees ook dit essay: Tijdens een pandemie wil iedereen het liefst naar huis

Tot corona. De chef belde. Het was begin maart. De luchtruimen van Europa waren aan het sluiten. En ook Zuid-Afrika ging op slot. „Als je nu naar Nederland wilt, dan begrijpen we dat”, zei de chef, moederlijk bezorgd. Ik zou het overwegen, zei ik. Op Twitter verschenen berichten van collega’s die de benen namen en hun standplaatsen halsoverkop verlieten. Terug naar het vaderland. De Nederlandse cameraman die naar Kaapstad was gekomen voor opnames snelde dezelfde avond nog naar de luchthaven. Hij wilde terug naar zijn vrouw en drie kinderen, voor het te laat was. Ik begreep het. Vrienden in Kaapstad belden. „Morgen is de laatste vlucht. De KLM heeft de vlucht een uur vervroegd, zodat we nog net voor middernacht kunnen vertrekken, als de grenzen dicht gaan. Wat doe jij?” Wat hij bedoelde was: waar is je thuis, Bram?

Plots voelde het antwoord op die vraag als vanzelfsprekend. Wat moest ik in Nederland? Het virus trok als een veenbrand over het vaderland, terwijl Covid-19 in Zuid-Afrika, met krap 2.000 besmettingen en 18 doden, onder controle is. Wat moest ik in Nederland, tussen andermans spullen en huiselijke gebruiken? Ik keek naar de kat die in het oranje licht van de zakkende zon haar pootjes likte. Ik keek naar mijn dochter, die aan het einde van de middag online ging voor een yogaklas. Ik ontstak het vuur voor het avondmaal en nam een besluit. Thuis is waar mijn dochter is.