Reportage

Alleen op de IC, omringd door ‘marsmannetjes’

Intensive care Op de Covid-afdeling ontfermen artsen en verpleegkundigen zich onherkenbaar over patiënten. „Een surrealistische omgeving” – ook voor de artsen zelf.

Foto Francisco Seco/ AP

‘Een hand in een handschoen vasthouden is heel anders dan een gewone hand”, zegt Bart van der Feen, medisch psycholoog in het Erasmus MC in Rotterdam. Op Covid-19-afdelingen in Nederland worden patiënten onder extreme hygiënevoorschriften behandeld en verpleegd. Bezoek van partners of familie is bijna nooit toegestaan en dus moeten patiënten hun ziekbed alleen doorstaan. Rest de in latex gehulde hand van de arts of verpleger om in te knijpen.

Iedere besmettelijke ziekte komt met een eigen uitrusting. Tijdens de pest zouden functionarissen achter maskers met lange snavels langs de deuren te zijn gegaan; in de snavel zaten specerijen die de lucht zouden zuiveren en besmetting zou voorkomen. Tijdens de Spaanse griep raakten voor het eerst mondkapjes wijdverbreid, toen nog niet meer dan een dubbelgevouwen gaasje. Corona maakt wereldwijd zijn opwachting samen met het FFP2-mondmasker, muts, bril en schort.

Twee artsen, een patiënt en een psycholoog vertellen over de vervreemdende omstandigheden op de Covid-19-afdelingen, waar artsen zich onherkenbaar over hun patiënten ontfermen.

Paul den Hertog, dominee in Amsterdam, is eind maart een week opgenomen geweest in het OLVG met het coronavirus. Eén nacht bracht hij door op de intensive care. Verder lag hij op zaal, afgesloten van de andere patiënten door een gordijn. „Het is heel vreemd, dat leven tussen de gordijntjes. Je mag – al zou je kunnen – niet naar de wc of wastafel. Alles gebeurt op en vlak naast je bed. Je ziet ook je medepatiënten niet. Je hoort wel van alles, ook gesprekken van artsen of verpleegkundigen met de andere zaalbewoners.”

Het isolement wordt vergroot omdat je niet zomaar op het belletje voor de zuster gaat drukken, zegt Den Hertog. „Want je weet dat iemand zich dan weer tot marsmannetje moet transformeren. Ook het zuurstofkapje op je hoofd belemmert de communicatie. Praten en verstaan worden erdoor gehinderd.”

Drie uur ingepakt op de afdeling

In het Amphia Ziekenhuis in Breda is Robert Coebergh van den Braak, chirurg in opleiding, sinds vorige week ingeroosterd op de noodintensivecare. Voordat hij de zaal op gaat, wordt Coebergh zo’n marsmannetje waar Den Hertog het over heeft: „Je hebt twee kamers voor je op de afdeling komt. In ruimte één kleed je je aan, in kamer twee kleed je je op de terugweg weer uit.” Dat gaat volgens strikt protocol. „Je hebt een overall met voetstukken aan, mouwen tot aan je pols. Daar overheen trek je je handschoenen, een mondkapje, een muts en een bril. Je bent helemaal bedekt, op je jukbeenderen en hals na.”

Op de afdeling is hij steeds zo’n drie tot vier uur. Gedurende die tijd is het onmogelijk te eten of te drinken, naar de wc te gaan of ook maar je telefoon uit je zak te halen. Zelfs aantekeningen kun je niet zoals gewoonlijk op een notitieblok maken, want het papier mag niet mee naar buiten.

Coebergh: „Het went, maar het blijft een surrealistische omgeving. Het licht is gedimd. Je herkent collega’s niet goed, je weet in het begin niet wie wie is. Maar het is heel bijzonder om te zien hoe iedereen elkaar helpt: als er iets niet goed gaat, staan er meteen vijf collega’s rond het bed om te helpen.”

Dominee Den Hertog, die nu thuis op krachten komt, onderschrijft die sfeer: „Het vreemde is dat je alleen de ogen van het personeel ziet, de gestalte en eventueel een plukje haar. Behalve als je langs het gordijn even richting de gang kunt kijken, waar niet-ingepakte mensen staan en lopen. Het is natuurlijk niet anders, maar het is best een handicap.” Vaak werd wel gevraagd wat zijn beroep was, „maar je merkt dat het contact functioneler is onder deze omstandigheden”.

„Je herkent collega’s niet goed, je weet in het begin niet wie wie is”, Robert Coebergh, chirurg in opleiding Foto Claudio Furlan/LaPresse

Bijzonder problematisch is nu, zegt psycholoog Van der Feen, de wisselwerking tussen angst en benauwdheid. Covid-19-patiënten hebben vaak moeite adem te halen, die benauwdheid maakt angstig, en daardoor wordt de ademhaling verder verstoord. De angst wordt bovendien gevoed door de uitgebreide berichtgeving over het coronavirus, zegt Van der Feen: „Uit de krant weten velen dat het heel moeilijk wordt als je eenmaal op de IC komt.”

In het Erasmus MC worden geestelijk verzorgers nog wel op de afdeling toegelaten om met patiënten te spreken over angst en eenzaamheid – in beschermend tenue natuurlijk. Ook worden ontspanningsprogramma’s ontwikkeld die patiënten op hun iPad kunnen bekijken om rustiger te worden, minder over het verloop te piekeren en meer in het hier en nu te zijn. Van der Feen: „Onder normale omstandigheden is bezoek mogelijk, er kan zelfs een partner bij de patiënt op de kamer slapen. De aanwezigheid van een geliefde werkt enorm rustgevend. Nu kan dat niet.”

Mentale nasleep

Ook als het virus onder controle is, zal soms nog een mentale nasleep volgen, denkt Van der Feen: „Patiënten kunnen tijdens hun opname een delier ontwikkelen, een storing in de hersenen omdat de lichamelijke toestand zo slecht is. Dat uit zich in verwardheid, of vreemde, angstige dromen. Sommige mensen onthouden die angst. Of ze ervaren het opgenomen worden als traumatisch. Dan kan een posttraumatische stressstoornis ontstaan.”

Behalve zorg voor de patiënten is er ook zorg voor de artsen en verpleegkundigen in het Erasmus MC. Van der Feen: „We zijn aanwezig bij de dagevaluaties van de verpleegkundigen, en vertellen daar hoe je kunt omgaan met stressvolle situaties, hoe je tot rust komt, hoe je fit blijft. Voor de gemoedsrust raden we ook aan dat je bijvoorbeeld twee keer per dag naar het nieuws kijkt en tussendoor afstand neemt van de stroom berichten.”

Lees ook: Als je overlevingskans klein is, beland je in Nederland niet op de intensive care

Toch is de indruk dat de meeste artsen nu weinig tijd hebben om afstand te nemen. Helga Hart-Sweet is intensivist en unitleider van de IC in het OLVG in Amsterdam. Gevraagd naar de uren die ze maakt, antwoordt zij: „Ik ben er anytime. Ik ben in crisismodus, ik heb maar één gedachte: ik moet opschalen, ik moet alles doen zodat ik nooit mensen hoef te weigeren.”

Ze doet er alles aan om haar team gezond te houden: „Wij hebben twee weken geleden een microbioloog uitgenodigd die precies uitlegde wat de risico’s zijn en welke maatregelen er worden genomen, zodat iedereen weet hoe je je zo goed mogelijk kunt beschermen.” Later stuurt ze het protocol voor het uittrekken van de beschermende kleding: handschoenen uit, handen desinfecteren, dan door één deur, vervolgens schort uit (niet de buitenkant aanraken, vuile kant naar binnen vouwen), bril, muts, masker af, nogmaals handen desinfecteren, bril desinfecteren, nogmaals handen desinfecteren.

De angst om zelf ziek te worden heeft Hart-Sweet uitgeschakeld: „Ik zet mijn verstand op nul. Want ik ben ook geen twintig meer hè, en ook als je gezond bent kun je het krijgen. Laten we in gedachten houden dat het meestal mild verloopt. Als ik nu bang zou zijn terwijl ik nog maanden door moet, zou ik niet functioneren dus ik heb besloten me er niet mee bezig te houden.”

Twee kleine kinderen

Coebergh, de arts in Breda, is minder stellig: „Ik heb twee kleine kinderen. Ik heb overwogen om bij thuiskomst meteen onder de douche te gaan, maar op de eerste dag rende meteen mijn kind van twee op me af, dus dat werd niets. Uiteindelijk ben je ook wel goed beschermd hè – patiënten die op de IC aan de beademing liggen, zijn niet die partikels door de kamer aan het ademen. Alleen als er iets aan de beademingsslangen wordt gedaan, is iedereen maximaal voorzichtig.”

Maar Hart-Sweet en Coebergh zijn er nu vooral voor hun patiënten, en die moeten worden gerustgesteld tussen de marsmannetjes. Coebergh: „Als iemand wakker wordt op de IC, is dat meestal goed nieuws. Soms zijn ze wel twee weken in slaap geweest. Ik zeg dan: u bent wakker geworden, we hebben goede hoop, we zijn heel tevreden.” Hart-Sweet: „We gaan voor u zorgen, u bent in goede handen.”