Recensie

Recensie

Waarom lukt het de witte muziekliefhebber niet om de zwarte jazzmuzikant te interviewen?

Muziekgeschiedenis Aan je verleden ontsnap je niet zomaar. Dat ontdekt Fred de Vries als hij probeert een door hem bewonderde zwarte jazzmuzikant te interviewen.

Abdullah Ibrahim tijdens het North Sea Jazz Festival, 2019.
Abdullah Ibrahim tijdens het North Sea Jazz Festival, 2019. Foto Peter van Breukelen / Getty Images

De passage waaruit blijkt dat Wiegelied voor de witte man van Fred de Vries mislukt is, is de sterkste van het boek. Hij probeert de Zuid-Afrikaanse pianist Abdullah Ibrahim te interviewen, van wie hij bewonderaar en kenner is. Dat het gesprek niet van de grond komt, is mild uitgedrukt. Ibrahim begint al stug, en elke poging van De Vries om dichterbij te komen, vertrouwend op de gedeelde liefde voor de universele taal van muziek, strandt genadeloos. Hij vlucht het hotel uit wanneer Ibrahim hem boos toeroept ‘Weet jij wel wat jazz is?’

Wiegelied voor de witte man laat zich lezen als een poging om te begrijpen wat er mis ging. En daarbij gaat het om twee vragen: waarom werd de zwarte Ibrahim zo kwaad? En: waarom lukte het De Vries niet om de juiste toon te vinden? Hij gaat op reis om die eerste vraag te beantwoorden: in het zuiden van de VS en in Zuid-Afrika, waar hij woont en waaraan hij vaak moet denken wanneer hij de ongelijkheid in de VS ervaart. En hij bezoekt in Amerika de juiste plekken: eerst vooral op zoek naar de muziek (Nashville, Memphis, New Orleans). En vervolgens naar de plaatsen waar de strijd om burgerrechten het hardst is gevoerd: Selma, Jackson, Savannah, Birmingham. Hij schrijft interessant over de dubbelzinnigheid van het succes van Beyoncé, waar vooral Sony veel aan verdient, en over de rol van Henry Ford bij het beeld van country als witte muziek.

In het Amerikaanse zuiden verdiept hij zijn kennis over het verleden en leert hij veel over de doorwerking ervan. Hij bezoekt landmarks, musea, en praat met iedereen die met hem wil praten. Hij merkt daarbij dat sommige zwarte politici liever niet met hem spreken, en dat de zuidelijke witten vriendelijker en gastvrijer tegen hem zijn. Hij constateert dat tot zijn ongemak, maar moet vaststellen dat dit wel iets te maken zal hebben met die andere vraag die hem kwelt: waarom die vermaarde jazzpianist niets met hem te maken wilde hebben.

Impliciet beantwoordt hij die vraag wel, door de manier waarop hij zichzelf neerzet. De Vries heeft het als witte buitenstaander natuurlijk bij uitstek moeilijk om het aura van vrijblijvendheid van zich af te schudden. Dat hij het goed bedoelt, staat volkomen buiten kijf, en dat blijkt ook uit zijn zelfportret als politiek correcte man die allang geleerd heeft om zwarte piet af te wijzen, die blij is dat het Rotterdam uit de tijd dat er nog een ‘Marokkanenprobleem’ was, inmiddels is veranderd in een multiculturele stad met een Marokkaanse burgemeester. Het is sympathiek hoe vaak hij iets Rotterdams herkent, tot en met de vergelijking van Feyenoord met de Atlanta Braves, het american footballteam van de zuidelijke metropool.

Maar zo makkelijk ontsnap je niet aan je verleden, en dat blijkt ook uit zijn taalgebruik. Meestal gebruikt hij ‘wit’, maar er sijpelt nog wel eens ‘blank’ doorheen. Hij heeft het over ‘zwarten’ (ook over ‘witten’ trouwens), over ‘slaven’, ‘zwarte blues cats’ en hij noemt ‘Black Lives Matter’ een radicale beweging. Kortom: De Vries is wat hij is, een geprivilegieerde grijzende, witte man die, zodra hij genoeg heeft van een onhartelijke stad, kan besluiten: ‘Weg uit die beklemmende Mississippi Delta’.

Ik wil hem hiermee overigens niet te kort doen, al was het maar omdat bovenstaande omschrijving voor een groot deel ook op mij van toepassing is. Maar je begrijpt wel waarom hij niet doordringt tot Abullah Ibrahim, en ook dat zijn ideaalbeeld dat ‘muziek bevrijdend [kan] werken, ons los kan maken uit onze omgeving en achtergrond’ een onhoudbare gedachte is. Het hele verhaal van de muziek die hij beschrijft, laat juist zien dat dat alleen maar waar is voor de witte muziekliefhebber, die daarna net zo makkelijk weer country kan gaan zitten luisteren in een countrybar, en een oogje dicht knijpt voor de confederate flag.

Het pleit voor De Vries dat hij niet zielig doet wanneer de bekende, zwarte mensenrechtenactivist James Howard Meredith ook al niet erg meewerkt. ‘Ik ga hem niks vertellen als hij niet de juiste vragen stelt’, zegt hij, en hij behandelt De Vries als ‘een politiek correcte sukkel, als iemand die worstelt met witte schuld en die absoluut niks begrijpt van the Southern Thing, laat staan zwarte pijn’. De Vries probeert nog uit te leggen dat hij als inwoner van Zuid-Afrika er echt wel iets van af weet, maar dat levert hem alleen maar een tirade op over de rol van Nederland in de slavernij. Meredith stelt vast: ‘de reden dat je mij hier nu ontmoet is omdat ik een son of a bitch ben. Als ik een gezellige, meewerkende kerel was geweest dan zou jij hier nu niet met mij zitten praten’. Hij geeft hem nog wel wat papieren mee die De Vries éérst maar eens moet lezen.

Dat doet hij, en de vragen die Merediths geschiedenis oproept vormen de leidraad voor het laatste deel van zijn reis. De afstand blijkt veel groter te zijn dan hij dacht. A sadder and wiser man, wiens project niet gelukt is – maar ook nog niet voltooid.