Recensie

Recensie Boeken

Jeanine Cummins wil maar al te graag dat de lezer haar gelooft (●●)

Jeanine CumminsWie omkijkt moet het hebben van de plot. Cummins neemt geen tijd om haar personages menselijkheid mee te geven.

Migranten proberen de Amerikaanse grens te bereiken.
Migranten proberen de Amerikaanse grens te bereiken. Foto Miguel Sierra

Er zijn genoeg goede voorbeelden te bedenken van romans over de ervaringen van migranten, waarvan de (witte) auteurs hun tournee niet hoefden af te zeggen. Materiaalmoeheid van de Tsjechische schrijver Marek Sindelka bijvoorbeeld, waarin de vlucht van twee broers naar Europa zo gedetailleerd en fysiek wordt beschreven, dat je de adem van de personages op je huid voelt. Of het intelligente Asymmetrie van Lisa Halliday, een roman die zonder oordeel de vraag stelt of een jonge witte vrouw mag schrijven over een Irakees-Amerikaanse man, waarbij de schrijver subtiel de voortdurend verschuivende machtsverhoudingen in kaart brengt.

Lees ook: 'Racistisch’ en ‘traumaporno’: had ze niet mogen schrijven over een Mexicaanse migrant?

Dat Wie omkijkt (de vertaling van American Dirt) van Jeanine Cummins met zoveel kritiek is onthaald is echter niet verrassend. Of zij zich schuldig maakt aan culturele toe-eigening is volgens mij een complexe vraag die niet met een enkelvoudig ja of nee valt te beantwoorden, maar clichés zijn voor elke lezer een belediging.

In de eerste zin vliegt er al een kogel door het raam. Luca, een engelachtig ventje van acht met een topografieknobbel, staat te plassen in de badkamer. Hij heeft niet door wat er aan de hand is, tot zijn moeder Lydia hem de douchecel in duwt, waar ze zich verstoppen. In de daaropvolgende kogelregen wordt de hele familie door een drugskartel vermoord. En de moordenaars eten koelbloedig de kippetjes op die op de barbecue lagen te grillen.

Lydia heeft geen tijd afscheid te nemen van haar man en familieleden, ze moet vluchten met haar kind, weg uit Acapulco en weg uit Mexico, want de baas van het kartel zal niet rusten voor hij Lydia te pakken heeft. Het grootste deel van Wie omkijkt beschrijft hun gevaarlijke reis, duizenden kilometers op het dak van ‘Het Beest’, een goederentrein die het land doorkruist. De eindbestemming: de Verenigde Staten, het onbekritiseerde land van hoop.

Wie omkijkt moet het hebben van de plot, zo maakt die zoevende kogel al meteen duidelijk. Aan de stijl valt weinig te beleven, er moet vooral worden verteld. Aanvankelijk valt Cummins’ oog voor detail op, de eerste scène wordt beeldend opgetekend. Maar er is weinig ruimte om bij de beelden stil te staan, het verhaal dendert door, en de emotie wordt haastig ingevuld. Kelen worden dichtgesnoerd, stiltes zijn oorverdovend. Na elke heftige gebeurtenis – moorden, ongelukken, verkrachtingen – volgt obligaat een passage waarin Lydia registreert wat er in haar omgaat, hoe afschuwelijk ze zich voelt en hoe verdrietig, en in welk stadium van rouwverwerking ze inmiddels is aanbeland. De Nederlandse vertaling helpt ook niet echt mee, soms zijn er oubollige keuzes gemaakt: ‘Grote grutten’, verzucht Lydia eens.

Cummins heeft vijf jaar onderzoek gedaan voor het boek, en wil maar al te graag dat we geloven dat ze weet waar ze over spreekt. Dat leidt tot een overdaad aan Spaanse uitdrukkingen, ook als ze niets toevoegen: ‘De vrouw biedt hem een gekoeld blikje frisdrank aan, een refresco.’

Cummins, wier grootmoeder uit Puerto Rico komt en die zelf getrouwd is met een sans-papier (uit Ierland overigens), vertelt in een uitgebreid nawoord dat ze moord en verkrachting uit haar nabije omgeving kent. Ze heeft er geen romantisch beeld bij, wil ze maar zeggen – en toch is het niet gelukt om die levenservaring om te zetten in proza dat doorleefd voelt. Ze vervolgt met de wens dat lezers, de volgende keer als ze migranten op het nieuws zien, denken: ‘Deze mensen zijn mensen’. IJdele hoop. Cummins geeft haar personages geen menselijkheid, maar stuurt ze over platgetreden paden.