Opinie

Op de borrel van Gerard Reve serveerden mooie jongens de hapjes

Michel Krielaars

In tijden van sociaal isolement kan een literair kleinood je ineens levensvreugde bieden. Zo las ik Nacht, nieuwe maan, mistral. Dagboek uit Grasse 1940-1945 van de Russische schrijver en Nobelprijslaureaat Ivan Boenin (1870-1953). Dat dagboek telt nog geen 32 pagina’s, maar is, zoals vertaler Jan Paul Hinrichs in zijn nawoord schrijft, ‘literatuur in telegramstijl, waarvan een grote suggestieve kracht en spanning uitgaat.’

Ik las dit voor het eerst vertaalde literaire juweel dinsdag, toen er een wonderschone maan aan de hemel stond. Meteen zag ik overeenkomsten met het Zuid-Franse Grasse, waar de voor de bolsjewieken gevluchte Boenin in september 1939, kort na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, een villa huurde en vanuit het raam voortdurend mooie manen zag.

In die eerste dagen komt hij het huis slechts uit voor een wandelingetje van tien minuten in zijn tuin. En dan schrijft hij op 18 april 1940: ‘Wat woon ik vreselijk eenzaam!’

Letterlijk moet je die woorden niet nemen, want Boenin woont samen met zijn vrouw, zijn ex-maîtresse, haar vriendin en twee Russische literatoren. Echt eenzaam is hij dus niet. Eerder leidt hij het leven van een hypochondrische Russische landheer die voortdurend zijn einde voelt naderen.

Ondanks die neerslachtige buien heeft Boenin een meesterlijk oog voor de schoonheid van de natuur. Zo schrijft hij op 28 juli 1940, als hij een Engelse nederlaag vreest en er vanwege de hamsterwoede van de Fransen amper voedsel in de winkels ligt, over ‘de schoonheid van de hitte, droogte, doorschemerend tot in de hoogten van de hemel’.

In zo’n paradijselijke omgeving brengt Boenin de oorlog door, tot aan de bevrijding in augustus 1944. Wel is hij soms bang om door de Vichy-Fransen te worden gegijzeld. Maar op andere dagen neemt hij de bus naar Nice of Cannes, waar het leven van de rijken gewoon doorgaat. Hij maakt wandelingen en baadt in zee. En ook al heeft hij niets te eten en blijft hij somber gestemd, zijn oog voor het schone is er niet minder door. Zo noteert hij op 24 september 1942: ‘Volle maan. Wonderlijke maannacht. Pluimen en stapels schitterende witte wolken naar het westen, zuiden en oosten; in het noorden een dreigende witte wolk achter de berg. De rest van de hemel is groots, blauw en schoon. Vreselijke gedachten: plotseling blijf ik alleen. Waar moet ik heen. Wat voor leven? Zelfmoord?’ Zulke zinnen, waarin wanhoop en gevoel voor schoonheid elkaar afwisselen maken dit boekje zo bijzonder.

Een ander troostend kleinood is Altijd wat. Over het maken van brievenuitgaven van Gerard Reve. Hierin vertelt Nop Maas hoe hij bij het samenstellen en annoteren van Reve’s brievenboeken op alle mogelijke manieren door de geldzuchtige schrijver en zijn partner Joop Schafthuizen werd dwarsgezeten.

Vermakelijk hoogtepunt is de viering, in een restaurant in Wijk bij Duurstede, van de verschijning van Reve’s Brieven aan geschoolde arbeiders. Uitgever Bert de Groot en zijn vrouw zouden Reve en Schafthuizen ophalen in Schiedam. Daar aangekomen bleek dat beide heren een borrel voor alle dinergasten hadden georganiseerd, compleet met door mooie jongens te serveren hapjes. Pas toen die op waren vertrokken de vier naar het restaurant, Schafthuizen in een pyjamabroek, Reve op pantoffels en in een broek met een winkelhaak erin. Aan tafel wilde de schrijver het alleen hebben over de zegeningen van het Apartheidsbewind in Zuid-Afrika.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.