Interview

‘Ik stapte op een blikje fosfor en stond meteen in lichterlaaie’

De Pool Alojzy Jedamski zag als 14-jarige boerenzoon de Duitsers binnenvallen. Terwijl hij Nederland bevrijdde, werd zijn eigen land opnieuw bezet. „Voor ons waren Hitler en Stalin twee kwaden.”

De Tweede Wereldoorlog zit als een film in zijn hoofd. Een film die Alojzy Jedamski (95) zo kan afspelen. De kleinste details herinnert hij zich nog. Niet alleen de namen van zijn omgekomen kameraden, maar ook die van zijn vijanden. Van de sigaretten die hij rookte vlak voordat hij in Normandië deserteerde, tot de exacte locatie van de kerk die hij in het Brabantse Dorst passeerde. Wacht, geef hem je pen, hij tekent de scène wel even na.

Het is een film in drie verschillende talen. Zijn eigen Pools, de taal waarin hij op 1 september 1939 hoorde dat de nazi’s waren binnengevallen, vlak voor de boerderij van zijn familie bij een luchtbombardement in de fik vloog. De taal van de pantserdivisie waarmee hij in 1944 en 1945 Nederland bevrijdde. „Van Breda weet ik wszystko – alles. Ik was als verkenner de eerste die daar uit een pantservoertuig stapte. Maar het noorden? We marcheerden maar door, van dorp naar dorp, en hadden de helft van de tijd geen idee waar we waren.”

‘Polski, come downstairs’

Sommige anekdotes gutsen uit hem in het Duits, de taal van het volk dat zijn familie van hun land verdreef en in wiens leger hij als tiener gedwongen werd te dienen. „Hände hoch!” De taal die hij sprak met Clara, het Nederlandse meisje op wie hij een beetje verliefd was, maar nooit heeft aangeraakt. „Sie war noch zu jung.

Zijn allergelukkigste herinnering aan de oorlog is in het Engels. Toen hij in mei 1945 zwaargewond in een Brits ziekenhuis in België lag, stond er op een ochtend een zuster naast zijn bed met twee houten krukken. „‘Polski, come downstairs’, zei ze.” Dus stommelde korporaal Jedamski de trap af om daar samen met de andere gehavende militairen naar de radio te luisteren. Hij schiet vol als hij erover vertelt, zijn helblauwe ogen worden vochtig. „Het was de koning, de Britse koning George VI, die ons vertelde ‘the war is finished’.” Al zou het nog twee jaar duren voordat de oorlog ook voor hem voorbij was.

Alojzy Jedamski is niet alleen een van de laatst levende bevrijders van zowel Zuid- als Noord-Nederland. Hij was ooggetuige van de Duitse inval in Polen. Diende als militair de nazi’s en de geallieerden. En stond aan het front in Frankrijk, België, Nederland en Duitsland. Met een tussenstop in Londen. „Het enige goede aan die hele oorlog is dat ik het geluk heb gehad te overleven. Verder was het vreselijk.”

Kruidenwodka

Het gebeurt bijna nooit dat er iemand met interesse in zijn filmische herinneringen op bezoek komt op deze vervallen boerderij in Blizno. Een van Jedamski’s dochters, die op groene kaplaarzen de kippen en paarden op het erf voert, vindt het ook maar onzin. „Hij heeft jaren geleden het hele verhaal over die oorlog al een keer aan een lokale krant verteld. Dat kun je toch gewoon overschrijven?”

Maar Jedamski zelf heeft verheugd zitten wachten in het voorhuis. Hij draagt een smetteloos wit overhemd en zijn mooiste grijze pak met bijpassende platte pet. Op tafel liggen alle onderscheidingen en paperassen klaar die hij bewaard heeft. Zijn rapport met uitstekende cijfers uit 1938, het laatste jaar dat hij naar school kon. Zwart-wit foto’s uit de oorlog, van zijn ouders’ boerderij en van hem in uniform, met de legendarische Poolse generaal Stanislaw Maczek. Een oorkonde van de gemeente Breda, een brief uit Winschoten, een uitnodiging van de Nederlandse ambassade. Na een paar slokken thee, tovert hij een flesje kruidenwodka uit zijn rechterbroekzak en houdt zijn wijsvinger voor zijn mond. „Niets over zeggen. Ik mag niet drinken van mijn dochter.”

Prikkeldraad spannen

De Tweede Wereldoorlog begon hier vlakbij, op een vrijdagochtend in alle vroegte. Omdat Jozef Stalin in 1945 zou afdwingen dat Polen 200 kilometer westwaarts werd opgeschoven, ligt dit vlakke grasland nu centraal in het land. Maar in de nazomer van 1939 was Jedamski’s geboortegrond het westen van Polen, dat nog maar twee decennia onafhankelijk was. „Alles woonde hier door elkaar. Ik zat met Duitse kinderen in de klas. Als Joodse paardenhandelaren zaken deden met mijn vader, mochten ze van hem bidden in onze schuur”, vertelt Jedamski. Hij herinnert zich de angst die hij als 14-jarige voelde voor Adolf Hilter, want het gonsde elke dag dat de Duitse dictator zich Polen wilde toe-eigenen. Hij voelt weer de paniek van die eerste september. Door het bombarderen van de nabijgelegen weg vatte de familieboerderij vlam. Gelukkig wisten zijn vader en broers het vuur te blussen voordat de hele familie op de vlucht sloeg. „Te voet, met twee karren en een paar koeien”.

Toen Polen zich vijf weken later overgaf, keerde het gezin met vijf kinderen terug. Maar twee jaar later werd de hele regio alsnog gezuiverd. De 16-jarige Alojzy werd te werk gesteld op een andere door Duitsers in beslag genomen boerderij. In november 1943 moet hij het leger in. „Officieel was het vrijwillig, maar je kon kiezen tussen de dienstplicht, Auschwitz of Dachau.”

Hij werd naar Frankrijk gestuurd, waar zijn werk niet meer behelsde dan oefeningen en prikkeldraad spannen tegen parachutisten. „Pas toen de Amerikanen kwamen in juni 1944, marcheerden wij naar het front in Normandië.” Daar ontstond het plan om te ontsnappen. Een vrij matig doordacht plan, geeft hij toe.

„Mijn Poolse vriend Sigmund en ik besloten ervandoor te gaan toen ons tweeën gevraagd werd de wapens op te slaan. We dumpten een raketwerper in het bos en wachtten daar, de ene na de andere sigaret rokend, tot onze eenheid door zou trekken, zoals we verwachtten. Maar dat gebeurde niet.” Dus keerden ze terug naar hun kampement alsof er niets aan de hand was. ‘s Nachts maakte Alojzy zijn vriend wakker. „Doe jij wat je wilt, maar ik ga ervandoor. Sigmund begon te huilen: ‘maar ze zullen ons vermoorden’. Waarop ik zei: ‘dat zullen ze sowieso, want we hebben een order geweigerd en een wapen weggemaakt. In beide gevallen sterven we’.”

Twintig slapende Engelsen

Hij vertrok alleen, even later toch gevolgd door Sigmund. „We waadden door een riviertje en kropen naar de top van een heuvel. We staken een weg over en verstopten ons in een grasveld.” Jedamski vraagt om pen en papier, zodat hij het landschap kan natekenen. „Als je me nu naar die plek brengt, zou ik je elk detail kunnen aanwijzen. Het was op 11 augustus.”

In een graanveld langs de weg troffen ze, wonder boven wonder, een groep van twintig slapende Engelsen in de bosjes. Ze knoopten hun witte zakdoeken aan een tak en liepen erop af. „Die militairen schokken wakker. Als wij Duitsers waren geweest, hadden we ze allemaal kunnen doodschieten.”

Via een krijgsgevangenenkamp werd Jedamski naar Londen verscheept. Waar hij werd geworven door het Poolse leger. Binnen een week zat hij weer op de boot over de Noordzee. „Ze hadden niet eens gevraagd of we konden schieten.”

Zwaargewond

Nadat het Poolse leger in oktober 1939 door de Duitsers en de Russen was verslagen en het land werd opgedeeld, wisten tienduizenden militairen via Hongarije en Roemenië te ontsnappen. Eerst naar Frankrijk en toen ook dat capituleerde naar Groot-Brittannië. Daar hergroepeerden de Polen zich in onder meer de Eerste Pantserdivisie en de Eerste Onafhankelijke Parachutistenbrigade. Polen streden in 1944 en 1945 mee aan vrijwel elk West-Europees front.

Toen Jedamski zich aansloot bij zijn eigen nationale leger, was dat al opgestoomd door België. Hij werd onderdeel van de verkenners die als eerste Breda binnentrokken. 75 jaar later rollen de Brabantse plaatsnamen in willekeurige volgorde van zijn tong: Baarle-Nassau, Gilze-Rijen, Dorst, Moerdijk. Met het Duitse leger had hij nooit de frontlinie bereikt, maar hier was elke dag levensgevaarlijk. „We sliepen als honden onder bruggen, terwijl de Duitse tanks aan de overkant van het water stonden. Een vriend werd een meter naast mij met een machinegeweer door zijn borst geschoten. Dood.”

Op 4 november werd hij bij Moerdijk zelf neergeschoten. Zijn helm voorkwam dat hij een kogel door zijn kop kreeg, maar zijn rechterbeen was zo zwaar gehavend dat het weinig scheelde of het had geamputeerd moeten worden. „De infectie moest met tachtig penicilline-injecties worden bestreden.” Hij stroopt zijn broekspijp op om de littekens te laten zien, maar zijn die door ouderdom vervaagd.

Hij bracht de bitterkoude winter door in een ziekenhuis in België. In februari sloot hij zich weer aan bij zijn eenheid, die was ingekwartierd in Oosterhout. Hoe zijn route daarna verliep, heeft hij niet meer helemaal scherp. Dat kan ook aan de wodka liggen, want het flesje is inmiddels leeg. „ We liepen wel 40 tot 50 kilometer per dag, ook op zondag. We keken nooit achterom.” Hij herinnert zich een gevecht in Winschoten, waarbij twee collega’s omkwamen. De verovering van een groot Duits wapendepot in Groningen. En de tweede keer dat hij zwaargewond raakte, eind april 1945.

„Ik moest de wacht houden, dus ik liep met mijn geweer en een deken het bos in om mijn positie in te nemen. Toen stapte ik in een strik en ontplofte er een blikje, fosfor of zoiets. Ik stond meteen in lichterlaaie.” Dankzij de deken die hij over zijn arm had geslagen, wist hij zijn gezicht te beschermen tegen het brandende goedje. „Mijn hele uniform, zelfs mijn schoenen verbrandden.” Hij herinnert zich hoe hij de nacht gewond en naakt doorbracht, voordat hij weer naar het hospitaal in België werd vervoerd. Daar hoorde hij korte tijd later op de radio dat Hitler dood was. En toen dat de oorlog voorbij was.

Maar het overwinningsfeest in het Britse ziekenhuis was niet helemaal zijn feest. Polen was na een fataal verlopen opstand immers opnieuw bezet, nu door het Rode Leger. „Voor ons waren het twee kwaden: Hitler was heel slecht, Stalin was gewoon slecht.”

Alleen nog een kat

Toen hij in juni uit het ziekenhuis ontslagen werd, zat er niets anders op dan weer een vers uniform aan te trekken. Hij werd gestationeerd in de bufferzone die West-Duitsland moest pacificeren en schreef een brief naar de oude boerderij die onbeantwoord bleef. Maar na een tweede brief in 1946 schreef zijn moeder terug, dat iedereen nog leefde en ze de boerderij hadden teruggekregen. „De Duitsers hebben de paarden meegenomen en de Russen hebben de koeien en de varkens geslacht. We hebben alleen nog een kat. Maar er is veel werk, dus kom naar huis”, was haar boodschap.

Hij had naar Engeland kunnen gaan, of in Nederland kunnen blijven, wat veel van zijn kameraden deden. „Maar ik heb geen spijt dat ik ben teruggegaan. Nederlandse mensen zijn heel aardig, maar jullie wonen in van die kleine huisjes. Hier hebben we de ruimte.” Hij trouwde met Teresa, kreeg drie dochters en een zoon en kocht zijn eigen boerderij waar hij nog steeds woont.

Voor wat hij in de oorlog had meegemaakt, was bij thuiskomst weinig interesse. Iedere Pool had immers vreselijk geleden, en dat lijden was in 1945 niet voorbij. Pas sinds het einde van het communisme is er nieuwe interesse voor zijn verhaal, vooral uit Nederland. Hij is verschillende keren teruggeweest voor herdenkingen in Brabant en Groningen. En heeft zelfs zijn oude liefde Clara weer ontmoet.

Hij wil graag nog meer vertellen, over die kerk in Dorst bijvoorbeeld. Maar dan moet er eerst meer wodka komen. Zonder stok of andere ondersteuning schuifelt Alojzy Jedamski de door boomwortels kromgetrokken stenen treden voor de boerderij af en kruipt achter het stuur van zijn rode Opel Corsa. Hij laat zich door niemand vertellen of hij nog in staat is om zelf naar de plaatselijke winkel te rijden. Zijn dochter op het erf kijkt hem hoofdschuddend na.