Opinie

Hoe wij veranderen is niet te voorspellen

Floor Rusman

Terwijl de curve van ziekenhuisopnames afvlakt, toont een andere curve exponentiële groei: die van de coronagerelateerde toekomstvoorspellingen. Corona zal alles veranderen, zo profeteren stukjesschrijvers over de hele wereld; ‘voorgoed’ zelfs, volgens sommigen. Bijzonder is dat: een paar maanden terug voorzag niemand de huidige situatie, maar nu kunnen mensen tot het einde der tijden vooruitkijken.

De voorspellingen gaan niet alleen over transformatie van de samenleving, maar ook over hoe ‘wij’, de individuele mensen, zullen veranderen. We zullen socialer worden, las ik; minder ik-gericht, minder hedonistisch, maar ook minder open en tolerant; we zullen meer verlangen naar autoritair leiderschap.

A leidt vanzelf tot B, zeggen deze voorspellers. Alsof wij mensen, net als de coronadata, in een model worden gestopt waar aan de andere kant iets uitrolt. In werkelijkheid, zo laat de geschiedenis zien, kan A bij verschillende mensen tot tegenovergestelde uitkomsten leiden.

Ik dacht deze week aan Heinrich Heine, de Duitse dichter die vanwege ziekte de laatste acht jaar van zijn leven in bed spendeerde. Martin van Amerongen schreef er een mooi boek over, Het matrassengraf. Hierin laat hij zien hoe Heine, voor zijn ziekte een fervent atheïst, zich door de omstandigheden genoodzaakt zag religieus te worden. „Als je wordt beroofd van gezondheid, psychische stabiliteit, geld en genegenheid, leiden de wegen onafwendbaar in de richting van het christendom”, aldus de dichter. Elders in het boek: „Het menselijk leed is ondraaglijk. Het dwingt je ergens in te geloven.”

Maar juist dat leed is voor anderen reden geweest het geloof te verlaten: waarom zou een god zulke gruwelijkheden toestaan? In de geschiedenis zie je deze reacties allebei terug: onderzoek naar de pestepidemieën wijst uit dat sommige mensen in reactie daarop nóg geloviger werden, terwijl anderen juist gingen twijfelen aan hun religieuze overtuigingen.

Ik moest ook denken aan Isaiah Berlin, de Britse filosoof, en aan de Amerikaanse schrijfster Ayn Rand. Zij groeiden beiden op in het Rusland van de jaren ’10, als kinderen in Joodse middenklassegezinnen. Beiden maakten daar de Russische Revolutie mee. Beiden emigreerden: Berlin op zijn elfde naar Londen, Rand op haar eenentwintigste naar de Verenigde Staten. Vanaf daar lopen de geschiedenissen uiteen. Rand werd een dogmatische vrijemarktdenker, Berlin een pluralisme predikende liberaal.

Ze verwezen allebei veelvuldig naar hun ervaringen met het communisme als beslissend voor hun denken. Rand verzette zich tegen het collectivisme ervan, Berlin hekelde het dogmatisme. In de praktijk leidde dat tot een radicaal andere opstelling: Rand ontpopte zich tot een soort sekteleider terwijl Berlin de twijfel predikte.

Hoe kan dat? Het zal met de verschillen in precieze omstandigheden te maken hebben – Rand emigreerde bijvoorbeeld later en zonder haar familie – maar ook met karakter: Berlin was zachtaardig en sociaal, Rand was als kind al rigide en solistisch.

We doen graag alsof bepaalde ervaringen ons onvermijdelijk een richting in duwen, maar zo is het niet. Neem kinderen die opgroeien in een gezin waar veel ruzie wordt gemaakt. De ene persoon zal die patronen later herhalen, de ander wordt juist conflictvermijdend. Beiden kunnen hun jeugd beslissend noemen voor deze verworven karaktertrek. En misschien hebben ze wel gelijk, maar dat zegt niet wat de invloed van zo’n jeugd zal zijn op een volgend kind. Bij elk individu liggen de opties weer open – na corona zal dat niet anders zijn.

Floor Rusman is redacteur van NRC

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.