Recensie

Recensie Boeken

Hoe de Notre Dame op het nippertje gered werd

Brand Er zijn veel interessante vragen te stellen over de Fransen en de Notre-Dame. Jammer dat Agnès Poirier ze in haar boek niet beantwoordt.

Foto Thierry Mallet/AP

De tragische brand in de Notre-Dame van Parijs, die op 15 april vorig jaar plaatsvond, lijkt welhaast onbeduidend vergeleken bij de crisis waar we ons een jaar later in bevinden. Iets gemeen hebben ze wel: de menselijke neiging om schokkende gebeurtenissen als een dwingende les voor de mensheid te zien, een ontzagwekkend teken aan de wand. Uitgebreid citeert de Franse journalist Agnès Poirier in haar boek Notre-Dame. De ziel van Parijs een ‘jezuïtische priester en econoom’ Gaël Giraud, die er met opgeheven vinger op los orakelt, zoals zoveel goeroes in moeilijke dagen: ‘Onze technologische samenleving geeft blijk van onze kwetsbaarheid. We kunnen met een raket naar de maan, maar we kunnen niet voorkomen dat het dak van de 850 jaar oude Notre-Dame in brand vliegt.’ Eh, ja? Onze hang naar rijkdom, onze afhankelijkheid van de financiële markten dreigt onze levens betekenisloos te maken en dus voelen we ‘haarscherp aan dat de verdwijning van gebouwen tot een dodelijke vorm van normenverlies zou leiden.’ Poirier geeft het allemaal zonder commentaar door aan haar lezers. Het typeert dit oppervlakkige boek.

‘Waarom raakte specifiek deze brand zoveel mensen?’ meldt de achterflap. ‘Wat maakt dat een bouwwerk uit de twaalfde eeuw nog altijd zoveel mensen kan ontroeren?’ Dat zijn interessante vragen, die om cultuurkritische scherpzinnigheid en een fijnzinnige pen vragen. Poirier beschikt over geen van beide. Ze schreef een geschiedenis van de Notre-Dame in gehaast Wiki-proza, waarin vaak wordt afgedwaald, van de hak op de tak wordt gesprongen en ook nog eens dingen worden herhaald.

Niets wordt uitgewerkt, niets krijgt diepte. Als Poirier er niet uitkomt vlucht ze in dweperige zinnen, die even opgewonden als nietszeggend zijn. Over Napoleon, die na de Franse Revolutie het verscheurde land hardhandig tot een eenheid smeedde: ‘Wie had ooit z’n schitterend evenwicht kunnen bereiken, behalve een man die was opgeleid aan vorstelijke scholen, maar was verkozen door een republikeins volk?’

Ook de vertaler had haast: Esmeralda, het object van de hartstocht van de gebochelde Quasimodo in Victor Hugo’s De Klokkenluider van de Notre-Dame wordt consequent aangeduid als bohemienne – in het Nederlands is ze toch echt een zigeunermeisje.

Jammer, jammer. Als de vernietigende brand van vorig jaar iets duidelijk maakte, is dat achter het culturele cliché van de Notre-Dame een diepe verknochtheid met het monument bestaat, niet alleen bij katholieke Fransen, of Fransen in het algemeen, maar ook bij mensen over de hele wereld.

Weesgegroet

Ikzelf stond te midden van de met stomheid geslagen omstanders vanaf de kade toe te kijken, terwijl de vlammen uit het dak sloegen. De verbijstering, de onmacht van het passief toekijken terwijl zich een ramp voltrekt – tot laat op de avond was onduidelijk of de kathedraal overeind zou blijven – en later het ontroerende, zachte zingen van het weesgegroet, het zijn emoties die ik niet zal vergeten.

Het enige geslaagde hoofdstuk in het boek van Poirier beschrijft die onwerkelijke situatie, de schok en paniek die het nieuws van de brand veroorzaakte.

Ze geeft een spannend verslag van de reddingsoperatie, die laat op gang kwam. Het eerste brandalarm, dat 18.18 uur binnenkwam, gaf aan dat er brand in de sacristie was. De verantwoordelijke beveiliger die avond was nieuw en wist niet dat het alarmsysteem weinig precies locaties aangaf. Hij dacht dat het om een vals alarm ging. Pas een half uur daarna drong het door dat het menens was. Toen stond het dak al in het lichterlaaie.

Voelbaar in het relaas van Poirier is de paniek van de verantwoordelijken, die verbijsterd zijn en tegelijk in actie moeten komen. De algemeen directeur van de Notre-Dame, Laurent Prades, is in Versailles wanneer het nieuws hem bereikt. Hij neemt eerst de metro en dan een huurfiets om bij de brandende kathedraal te komen; eenmaal in het gebouw weet hij uit pure paniek de codes van de dubbele kluis niet meer, waarin relikwieën als de doornenkroon van Christus liggen. Pas om 20.42 uur ontvangt hij de juiste code per sms van een van de kosters.

Dat de kathedraal blijft staan is te danken aan de koelbloedigheid van de driesterrengeneraal Jean-Claude Gallet, hoofdcommandant van de Parijse brandweer. Hij geeft zijn manschappen opdracht de twee torens in te gaan en het vuur op afstand te houden. Wanneer het houtwerk rondom de beroemde klokken vlamvat, zullen de torens instorten. Dan is het afgelopen met de Notre-Dame. Die reddingsactie lukt, op het nippertje.

Kritische vragen over hoe de brand zo gemakkelijk om zich heen heeft kunt grijpen laat Poirier links liggen, het past niet bij haar gedweep met de Franse geest en ziel. Wat haar ook niet goed uitkomt, is de vraag waarom de kathedraal door eeuwen heen zo vaak is verwaarloosd, alsof die de Fransen gestolen kon worden. De heropleving van de belangstelling voor het monument, getriggerd door het succes van Hugo’s melodramatische klassieker uit 1832, verzuimt ze in het licht te plaatsen van de algemene romantische belangstelling voor de Middeleeuwen, de veranderde, meer zelfbewuste omgang met de geschiedenis dan daarvoor. De restauratie door architect Viollet-le-Duc halverwege de negentiende eeuw ziet ze louter als een heldhaftige poging om de kathedraal in zijn authentieke staat te herstellen – voor critici die de neogotische aanvechtingen van Viollet-le-Duc juist als een vorm van modieuze kitsch beschouwden, ook in zijn eigen tijd, heeft ze geen geduld. Dat zijn spits totaal niet leek op de oorspronkelijke spits die in 1792 wegens instortingsgevaar was weggehaald, dat neemt Poirier haar held dan weer niet kwalijk.

Kwalijk en absurd

Geen wonder dat ze weinig aankan met de belangrijkste vragen die de restauratie oproept: moet de Notre-Dame hersteld worden in de stijl van de negentiende-eeuwer Viollet-le-Duc? Of moeten we, net als hij, niet schromen onze eigen eigentijdse verbeelding op het monument los te laten?

Alles moet precies worden als het was, lijkt Poirier te vinden. Alle vernieuwende voorstellen doet ze af als kwalijk en absurd. Maar aan het einde van haar boek schrijft ze ineens: ‘De Notre-Dame is van alle Franse burgers. Daarom moeten ze allemaal kunnen meepraten over haar toekomst.’

Wellicht. Zeker is dat haar boek over de Notre-Dame de Fransen daarbij niet zal helpen.