Fuut

is visser en doet verslag vanaf de waterkant. Deel 31: Concurrentie
Dagboek van een visser

Een visser verkeert altijd in een soort quarantaine. Niet fysiek maar geestelijk. Niet gedwongen maar vrijwillig. Niet binnen maar buiten. Niet veertig dagen (letterlijke betekenis) maar een halve dag. Roerloos tussen het riet (pier/strand/boot) sluit de visser zich op in zijn zelfgecreëerde bubbel. Een kosmische zijnstoestand waarin de hemel het dak vormt, het wateroppervlak de vloer en de horizon de muur. Een koning te rijk.

Zo zat ik van de week aan een stille kreek. Als een koning turend naar m’n dobber, ver weg van de wereldse zorgen en paniek. Lange poos gebeurde er geen donder, toen plotseling de dobber lichtjes tikte. Voorzichtig kwam ik overeind, en juist toen ik wilde ophalen schoot als een flits uit de hemel een ultramarijn object het water in en meteen weer eruit – nu met ’n ruisvoorn in de bek. Een ijsvogel. Dat kreng stond de hele tijd op een tak boven m’n hoofd mee te koekeloeren. Baas boven baas. Niet voor niets heet hij kingfisher. Ik stond op, nam m’n hoed af en maakte een diepe buiging.

Ik mag overigens m’n borst natmaken, want vanwege de slappe winter, zo las ik, gaat dit een topjaar worden voor de kingfisher.

Vissers hebben vaker het nakijken. Zo zat ik een keer een hele middag te klooien bij een plas, toen verderop een zilverreiger neerstreek en kort erna een jonge snoek uit het water griste. Hij smeet ’m op het gras en spietste ’m met samoerai-precisie vier keer door de kop en schrokte hem erna zichtbaar glunderend op.

Wij vissers zijn bepaald niet jaloers aangelegd, maar er zijn grenzen.

Futen zijn de ergste, met die potsierlijke indianenveertjes van ze. Die gaan doodleuk kopje onder en snaaien alles voor je neus weg.

Ik zag eens een fuut, vorig jaar in de Merwede, die naar boven kwam met een knoert van een paling in z’n bek! Een beest waarmee je gerust een auto kan wegslepen. Ademloos keek ik toe, wat een titanenstrijd, wat een worsteling. Khabib vs. Mcgregor was er niks bij. Uiteindelijk, moegestreden, gooide de paling de handdoek in de ring en verdween in die onvoorstelbare futenmaag (ik geloof dat ik een boer hoorde). Deze fuut verdiende een saluut. Ik gaf een staande ovatie. Terecht overigens dat futen nooit een boete krijgen.

Sowieso kunnen we een voorbeeld nemen aan futen. Als een mannetje aan een wijfje een vis geeft en zij neemt hem aan, zijn ze getrouwd tot de dood hen scheidt. Wij, het edele soort, komen met gouden ringen aan, jurken, Lana Marks-handtasjes en wat niet al, en een paar jaar later staan we op de stoep bij de echtscheidingsadvocaat. Futen snappen het beter: liefde gaat door de maag.