‘Als er alcohol ingaat is anderhalve meter afstand houden lastig’

Anderhalvemetersamenleving Reserveren voor de trein? In de rij voor de draaideur? Looplijnen in de supermarkt? Hotels als escapisme voor thuiswerkers? In de anderhalvemetersamenleving wordt alles anders.

Afstand houden voor het tuincentrum, in Haarlem.
Afstand houden voor het tuincentrum, in Haarlem. Foto Olivier Middendorp

Met een rolmaat toog restauranteigenaar Raymond van ’t Hooft vorige week naar zijn zaak. Hij zag de bui al hangen, trok het meetlint tot anderhalve meter uit en begon met het opmeten van zijn etablissement Barça in de Amsterdamse buurt De Pijp. Hij versleepte wat tafels en stoelen en na een paar uurtjes had hij de ideale indeling gevonden. Van de honderdtwintig zitplaatsen bleven er, gelet op voldoende afstand, vijfenveertig over. En hij heeft nog geluk, besef hij. Zijn zaak is ruim. „Maar hoe moet dat in een pijpenla?”

Er is voorzichtig optimisme in de strijd tegen het coronavirus. Toch zal Nederland zich moeten voorbereiden op een „anderhalvemetersamenleving”, zei premier Rutte deze week. Ook als de ‘intelligente lockdown’ wordt opgeheven zullen er nog talloze restricties zijn.

Lees ook: Politiek denkt al na over doorgaan met ‘1,5 meter’

Hoe gaat die anderhalvemetersamenleving eruitzien? NRC maakte een rondgang langs verschillende geledingen van de maatschappij en raadpleegde deskundigen. Afstand houden zal vrijwel alles in het leven een stuk gecompliceerder maken, zo blijkt – en sommige sectoren misschien wel voorgoed veranderen.

Onderwijs: halve klassen

Stel, de scholen gaan half mei weer open. Zal de anderhalvemeterregel dan te handhaven zijn? „Onmogelijk”, zegt Ton van Haperen, docent economie op het Rythovius College in Eersel. „Die mannetjes willen elkaar pootje haken en omdouwen. Dat kun je gewoon niet voorkomen in een gebouw met 1.300 leerlingen”.

Lesgeven wordt totaal anders, zegt Van Haperen. „Nu heb ik 32 kinderen in een klas en loop ik ertussendoor om individueel uitleg te geven. Dan zit je soms maar op 30 centimeter. Je zou terug moeten naar veel kleinere klassen, met gespreide pauzes.”

Wiskundedocent Karin den Heijer op het Erasmiaans Gymnasium in Rotterdam ziet wel mogelijkheden. „Leraren kunnen ook op skikamp met pubers – hoe gevaarlijk is dat wel niet? Dan kunnen we toch zeker een manier verzinnen om op een veilige manier scholen open te houden?” Verkouden leerlingen kun je thuis houden. Een leerling op afstand helpen met een wiskundesommetje? „Dan zeg ik: app maar een fotootje van je schrift, ik projecteer dat op het bord en de som bespreken we klassikaal.”

Mobiliteit: op rantsoen

Treinen, bussen en metro’s vervoeren op dit moment nog maar 10 procent van het aantal passagiers van voor de coronacrisis. Onder die omstandigheden lukt het nét om anderhalve meter afstand te houden. „Maar als de universiteiten weer open gaan, en als het woon-werkverkeer weer op gang komt, is dat onmogelijk”, zegt Pedro Peters, voorzitter van OV-NL, de branchevereniging van de openbaarvervoerbedrijven. „Vóór de coronacrisis waren we in de spits al blij als we tien centimeter van elkaar stonden.”

We zullen dus minder gaan reizen. Mobiliteit gaat „op rantsoen”, zegt Walther Ploos van Amstel, verkeersdeskundige aan de Hogeschool van Amsterdam. Volgepakte treinen en bussen zullen passé blijven: de anderhalvemetersamenleving luidt het einde in van de spits. Er gaan stoelen verdwijnen uit bussen en treincoupés, in- en uitstappen gaat veel langer duren. Ploos van Amstel: „We zullen toe moeten naar een systeem van mobiliteitsrechten. Als je chipkaart op een 1 eindigt, mag je op maandag en woensdag met het ov. Bij een 2 op dinsdag en donderdag. Enzovoort.”

Er komt een online reserveringssysteem voor het openbaar vervoer, denkt Bert van Wee, hoogleraar transportbeleid aan de TU Delft. „Als je met de trein wil, moet je je van tevoren aanmelden. Als er geen plek is, kun je niet mee. Bij metro’s en bussen, die vaker rijden dan treinen, kun je werken met time slots.” Van Wee denkt ook aan voorrang voor ‘prioritaire’ beroepen, zoals verpleegkundigen en leraren.

Stel, mobiliteit wordt een schaars goed, dan is de vraag: hoe verdeel je die eerlijk? Ploos van Amstel: „Ik vrees dat mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt straks de minste keuze hebben in mobiliteit, zoals ze nu ook al de minste keuze hebben op de woningmarkt.”

De automobilist zit, mits alleen in de auto, op voldoende afstand van zijn medeweggebruikers. Stapt iedereen dan straks weer in de auto – met alle gevolgen voor het klimaat van dien? Bert van Wee denkt van niet. „Uit onderzoek blijkt dat als je reizen in de spits ontmoedigt, mensen eerder of later met de trein zullen gaan, niet dat ze massaal in de auto stappen.”

Werken: exit kantoortuin

Werkgevers zijn op dit moment druk bezig met de vraag hoe zij hun werkomgeving corona-proof kunnen maken, zegt Wim Pullen, directeur van het Center for People and Buildings van de TU Delft. Veel kantoren zijn volgens hem ongeschikt voor het werken op anderhalve meter afstand van elkaar. „Het begint al bij de draaideur”, zegt Pullen. „Omdat je daar één voor één doorheen moet, leidt dat tot opstoppingen”. De volgende rij is bij de lift. „In een druk kantoor zal daar geen doorkomen aan zijn.” Dan kun je altijd nog de trap nemen, maar dan moet de trapleuning permanent ontsmet worden. „Bij een ontruiming moet iedereen door het trappenhuis. Dat wordt een besmettingshaard van jewelste.”

Werkplekken zullen er anders uit komen te zien, verwacht Pullen. „Er komen meer sta-bureaus, om te voorkomen dat je op een potentieel besmette stoel gaat zitten. Alle knoppen die je moet aanraken – printers, koffieautomaten, liftknopjes, deurknoppen – zullen voortdurend gereinigd moeten worden, of omgebouwd tot spraakgestuurde apparaten.”

In de rij voor ijs in Heusden. Foto Merlin Daleman

Contact tussen collega’s? „Aanrakingen zijn belangrijk in het maken van contact”, zegt hoogleraar cognitieve psychologie Stefan van der Stigchel van de Universiteit Utrecht. „Zelfs op je werk: een felicitatie, een schouderklopje. We kunnen wel even zonder, maar je mist wel iets van binding.”

Van der Stigchel ziet ook positieve kanten. „Geconcentreerd werken wordt prettiger. Waar mensen dicht op elkaar zitten, is meer afleiding. Door de maatregelen gaan mensen in hun eentje werken – thuis of verder bij elkaar vandaan – en ontmoeten elkaar alleen nog voor noodzakelijke overleggen. De coronacrisis wordt het einde van de kantoortuin zoals wij die kennen.”

Winkels: plexiglas

Supermarkten hebben al ervaring met de anderhalvemetersamenleving. Ze zullen hun initiatieven nu verder professionaliseren, zegt Koert van Ittersum, hoogleraar marketing en consumentenwelzijn aan de Rijksuniversiteit Groningen. „Dan denk ik aan vaste plekken in de winkel waar je je handen kunt wassen, hokjes van plexiglas voor de caissières, kassaloos betalen, een indeling met efficiënte looproutes en mogelijk nog meer plastic verpakkingen.”

Om het winkelbezoek beter te verdelen over de dag kunnen supermarkten nadenken over acties, zoals een cadeautje bij boodschappen boven de 50 euro op maandagochtend. Of een beperkt aantal winkelwagens. Van Ittersum verwacht dat de markt voor online boodschappen doen zal groeien, maar iedereen online bedienen is onhaalbaar, „zeker in de grote steden”.

Sommige sectoren zullen misschien wel voorgoed veranderen

Kledingwinkels krijgen het moeilijker, denkt hij. „Mensen willen daar kunnen rondbanjeren. Gestructureerde looplijnen werken dan niet, met als gevolg dat je elkaar soms dicht nadert.” Je zou kunnen denken aan het toelaten van een beperkt aantal bezoekers, maar hoelang zijn potentiële klanten bereid te wachten op straat, terwijl aan de overkant ook de concurrent geopend is? „Ik vraag me echt af hoe de Kalverstraat er over een half jaar uit ziet.”

Horeca: witte handschoen

De neiging om dicht bij de ander te zijn, is in de horeca het grootst. Je gaat naar cafés en restaurants omdat je op zoek bent naar gezelligheid, zegt Leonie van Spronsen, eigenaar van horeca-adviesbureau Van Spronsen en Partners. En om voldoende omzet te draaien hebben horecazaken véél gasten nodig, „gemiddeld één per anderhalve vierkante meter vloeroppervlak”. Vandaar de vaak kleine tafeltjes, dicht op elkaar.

De nieuwe werkelijkheid noopt ook hier tot radicale vernieuwingen. Van Spronsen denkt aan de terugkeer van de witte handschoentjes in de bediening, aan trolleys waarmee het eten wordt geserveerd, of via „kattenluikjes” in het plexiglas op de bar. Ze denkt aan statiegeld op glazen zodat mensen hun servies terugbrengen en zo het aantal contactmomenten minimaliseren. Restaurants kunnen werken met „thuispakketten” of „hybride concepten” waarin ze ook fungeren als luxe winkel met producten van hun leveranciers.

Hotels kunnen zich ontpoppen als vluchtplaatsen voor thuiswerkers – met de afstandbediening op het nachtkastje geserveerd in een plastic zakje. Maar voor café’s wordt het nog lastiger, denkt Van Spronsen. „Zeker als er alcohol ingaat, dan is anderhalve meter afstand houden lastig.” En nachtclubs? „In China is na de lockdown cloudclubbing in opkomst: de nachtclub komt via internet je huis binnen.”

Echt gezellig klinkt het allemaal niet. De anderhalvemetersamenleving draait om efficiëntie, pragmatisme. „Het echte cafégevoel zit er voorlopig niet in”, zegt Van ’t Hooft van restaurant Barça. „Even eropuit zijn”, dat wordt zijn markt. En als iedereen dat nou gespreid doet, dus óók op maandagavond uit eten, dan draait hij misschien quitte. „Dat is de surreële realiteit.”