Heilige koe ging als gift mee op reis naar hiernamaals

Archeologie Grafgiften uit Noord-Duitsland bevestigen de belangrijke rituele rol die runderen speelden in de late steentijd.

Scherf uit het graf bij Wangels.
Scherf uit het graf bij Wangels. Foto A.S. Jagiolla

Rundvee was in neolithisch Europa niet alleen belangrijk als bron van voedsel, het had waarschijnlijk ook grote religieuze waarde. Dat constateren onderzoekers van de Christian-Albrechts-Universität in Kiel na onderzoek van een Noord-Duitse graflocatie die in gebruik was tussen 3640 en 2900 voor Christus. Bij bijna alle grafgiften waarin ze (moleculaire) restanten van voedingsmiddelen aantroffen, ging het om producten afkomstig van rundvee. Ze publiceerden hun werk onlangs in het Journal of Archaeological Science.

Het Neolithicum was een periode van revolutionaire veranderingen in Europa en het Nabije-Oosten, waar mensen begonnen te experimenteren met landbouw. : ze gingen gewassen kweken en vee houden Zo werden ze geleidelijk van rondreizende jager-verzamelaars honkvaste boeren.

In het Nabije-Oosten begon het houden van rundvee in het negende millennium voor Christus. Deze vaardigheid breidde zich langzaam uit naar het noordwesten en bereikte zo’n drieduizend jaar later Centraal-Europa.

De archeologen deden hun onderzoek aan een graf in Wangels, bij Lübeck. Het gaat om een grafcomplex in een kunstmatige heuvel, waarin een gang naar meerdere kamers leidt. De mensen hier behoorden tot de trechterbekercultuur, zo genoemd naar hun kenmerkende aardewerk.

In het graf zijn tientallen restanten van bekers, schalen en kommen gevonden, net zoals in een nabijgelegen nederzetting bij Oldenburg. De onderzoekers analyseerden 33 aardewerkfragmenten uit graf en dorp om te achterhalen wat erin gezeten heeft. Ze gebruikten daarvoor gaschromatografie (bij deze methode worden de verschillende moleculen waaruit een materiaal bestaat in gasfase van elkaar gescheiden) en massaspectrometrie (waarna de stoffen aan de hand van hun massa worden geïdentificeerd met behulp van elektrische en magnetische velden). Daarbij kwam een aantal opvallende verschillen aan het licht.

Het aardewerk in het dorp was vooral gebruikt voor het bereiden en consumeren van graanproducten en koemelk, en in mindere mate varkens- en rundvlees. De fragmenten uit de grafheuvel lieten echter alleen restanten zien van melk van herkauwers en rundvlees. Deze producten waren dus kennelijk zo belangrijk dat ze aan een dode werden meegegeven op zijn reis naar het hiernamaals.

De bovine grafgiften lijken de rituele rol te bevestigen die het rund speelde in de late steentijd. Daar waren al eerder aanwijzingen voor gevonden. In Midden-Europa zijn meerdere graven aangetroffen waarin rundvee in zijn geheel begraven is, al dan niet vlak naast een menselijk graf.

Op sommige van die runderresten is een vuur gestookt. Dit zou erop kunnen duiden dat de koe in kwestie geofferd is. De Duitse vondst toont nu aan dat rundveeproducten door mensen van de trechterbekercultuur ook als grafgiften werden meegegeven.

In drie van de grafkamers die de archeologen onderzochten, deden ze nog een opvallende vondst. In het aardewerk dat daar werd aangetroffen, detecteerden ze restanten van een olie die was gemaakt van de duindoorn en zijn bes. Dit aardewerk behoorde tot de kogelamforacultuur, die de trechterbekercultuur opvolgde. In de loop van de tijd leerden de bewoners van deze streek dus duidelijk bij over gezonde voeding in hun omgeving, want duindoorn bevat veel antioxidanten, onverzadigd vetzuur en vitamine C. Ook dat kwam kennelijk goed van pas aan gene zijde.