Opinie

Elders

Ellen Deckwitz

‘Jeetje, wat is er met jou gebeurd”, roep ik per Skype tegen het neefje (13). Op zijn voorhoofd zit een grote blauwe plek. „Meneer wilde zonder zaklamp de kruipruimte op zolder verkennen”, moppert mijn zus, „en kreeg last van spontane claustrofobie, sprong op en knalde met zijn kop tegen de nokbalk. Hij heeft gelukkig geen hersenschudding, maar gênant is het wel. Straks denkt iedereen nog dat ik zo’n ouder ben die aan quarantainemeppen doet.”

„Gelukkig hoeft hij niet over straat”, mompel ik. Mijn neefje staart ongelukkig voor zich uit. Ik begrijp hem wel, de aantrekkingskracht van beschutte plekken, elk levend wezen heeft dat. Mijn oude kat probeerde regelmatig weg te kruipen in mijn bureaulade waarna ze doorgaans klem raakte en ik haar er met een pollepel weer uit moest schrapen (desondanks is ze bijna twintig geworden). We zoeken allemaal weleens de luwte op. Wat een dakpan is voor de gierzwaluw, is een zolderruimte voor de tiener.

Nu de meerderheid van de bevolking het huis houdt, kan ik me zo indenken dat ook zij de innerlijke puber in zich voelen spartelen. De buitenwereld lonkt, je verlangt naar nieuwe mensen, nieuwe plekken, nieuwe ervaringen, ontkomen aan dat doordeweekse bestaan met al die doordeweekse bezigheden. Als bakvis had ik constant het gevoel een groot feest mis te lopen. Ik wilde de hort op, maakte niet uit waarheen, als het maar weg was van het vertrouwde (d.w.z. van de plek die ik later weemoedig ‘thuis’ zou noemen).

Het vervelende aan de huidige situatie is dat het overal hetzelfde is. Vroeger was er tenminste nog de wetenschap dat er elders iets te beleven viel. Met deze epidemie is er geen elders meer. Natuurlijk zijn er nog wel andere mensen en plekken, maar daar kan je niet meer heen (en ook al kon dat wel, echt veel boeiends gebeurt daar momenteel waarschijnlijk ook niet).

En dat terwijl het voor mij als tiener zo’n grote troost was, de gedachte dat je nog altijd weg kon, er een betere plek bestond, dit niet alles was. Soms wou ik dat ik ook een zolder met een kruipruimte had, dan was er ondanks alles nog de suggestie van een verdwijnpunt. Het is een van de deprimerender bijwerkingen van het massaal thuis zitten: het einde van de belofte dat er verderop nog wél iets te beleven valt.

En zo doven de dromen. Het leven is niet meer elders, het leven is hier. Er is geen enkel ontsnappen meer aan.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.