Opinie

De zwerver en de winkelkat

Frits Abrahams

Wandelend door leeg Amsterdam vallen de eenzamen me meer op dan vroeger, toen de buitenwereld nog gevuld was met leven. Daar zit weer de zwerver, een man van in de dertig, die zich elke dag omstreeks het middaguur posteert op hetzelfde bankje tegen een huizenrij aan de gracht. Een uitpuilende rugzak staat naast hem op de grond, een kleinere tas houdt hij bij zich. Af en toe haalt hij er iets eetbaars uit.

Verder vertoont hij geen enkele activiteit, urenlang staart hij doelloos voor zich uit. Hij zit er om de tijd door te komen, vermoedelijk totdat ergens een nachtopvang opengaat. Daarin lijkt hij nu meer op ons dan hij zal beseffen, want achter de gevels wacht iedereen op het moment waarop de wereld zich weer opent.

Het coronavirus maakt zijn isolement totaal. Niemand durft een praatje met hem te maken of hem iets aan te bieden. Passanten lopen snel en in een grote boog om hem heen – liever twee dan anderhalve meter. De zwerver is een paria geworden.

Zijn eenzaamheid doet me denken aan die van de katten die ik op mijn wandelingen zie. Ik bedoel niet de zwerfkatten – die zijn aan hun harde bestaan gewend. Het gaat mij om de zogeheten winkelkatten – de huiskatten van winkels, cafés en restaurants. In gewone tijden bewegen ze zich bedaard en bedachtzaam door de ruimten die ze met hun baas en diens klanten delen. ’s Avonds en in de weekends worden ze aan hun lot overgelaten, maar daar kunnen ze nog wel tegen; het geeft ook wel enige rust als de mensen eindelijk zijn opgehoepeld.

Vanwege het virus zijn die katten opeens veroordeeld tot wekenlange eenzame opsluiting. Hun winkel is een isoleercel geworden. Het baasje komt in het beste geval nog wel elke dag een halfuurtje langs voor de foerage, maar de overige 23,5 uur moet de kat zelf zien te vullen. Zonder Instagram, Netflix en Jinek. Af en toe biedt een muisje enige gezonde afleiding, maar aan wiens voeten kan hij het, half of helemaal dood, nog trots neerleggen?

Het leven kan ook voor katten, zélfs voor katten, zinloos worden. Je kunt het zien aan de comateuze lusteloosheid waarmee ze achter de winkelruit liggen. Het zal hun tijd wel duren, ze hebben alle belangstelling voor de mensheid verloren, zoals die zwerver op het bankje. Een enkeling kijkt je onbewogen aan, een andere enkeling geeft een nauwelijks hoorbaar miauwtje, wat voor de voorbijganger reden kan zijn om zo snel mogelijk door te lopen.

Ik maakte mee hoe een kat – de derde enkeling – plotseling woedend de luxaflex opzij schoof en krijsend tegen de winkelruit opvloog. Die zat vermoedelijk nog maar kort in afzondering, hij had nog hoop op bevrijding. De winkeleigenaren zouden hun katten tijdelijk beter kunnen onderbrengen in een asiel, maar dat is relatief duur en ze hebben het al moeilijk genoeg.

Thuis heb ik een katje dat in aanzienlijk betere omstandigheden kan opgroeien. Zij heeft haar natje, droogje en schootje op vrijwel alle door haar gewenste momenten. In ruil daarvoor moet ze wel accepteren dat ik haar met het virus kan besmetten, zo beweren de coronadeskundigen. Om dat te voorkomen zou ik haar voortdurend op anderhalve meter afstand moeten houden. Met mensen kun je dat nog doen, in sommige gevallen zelfs graag, maar mijn poes beweert dat eenzaamheid voor katten erger is dan welk virus ook.