Opinie

Chinese coronacijfers? Geef ’t zout eens door

Maarten Schinkel

Achtertuinovens werden ze genoemd, de oventjes waarmee in China tussen 1958 en 1962 ijzer werd omgesmolten. Pannen gingen erin, fietsen, bestek, landbouwwerktuigen: alles om te voldoen aan de nationale doelen voor de ijzerproductie die de Communistische Partij had gesteld tijdens de Grote Sprong Voorwaarts. Dat grootschalige experiment moest de landbouw collectiviseren en de staalproductie laten rivaliseren met die van de Sovjet-Unie en westerse grootmachten. Hoe dat ging, en afliep, valt het best te lezen in Mao’s Great Famine, het bekroonde standaardwerk van de Nederlands-Britse historicus Frank Dikötter - ook besproken in NRC. Dat leidde tot een hongersnood die 45 miljoen levens kostte. De oventjes maakten waardeloze slak of op zijn best onbruikbaar gietijzer. En intussen rapporteerden trouwe partijleden de welgevallige statistieken over de voedsel- en ijzerproductie naar boven in de bestuursketen.

De Chinese Communistische Partij van toen is nog steeds dezelfde. Het Nationale Statistische Bureau eveneens, merkte Dikötter vorig jaar op bij de zeventigste verjaardag van voorzitter Mao’s revolutie. Er is sindsdien, en sinds de al even rampzalige en veel bekendere Culturele Revolutie die volgde, wel wat veranderd. Maar veel is dat ook niet.

Voor wie de economie van China met regelmaat volgt, is het van begin af aan verbijsterend dat China’s statistieken over het verloop van de Covid-19-pandemie in het Westen zo lang serieus worden genomen.

China is een land dat op magische wijze krap een maand na afloop van elk kwartaal de economische groei tot achter de komma weet te melden - en dat voor een economie die volop in transitie is en 1,35 miljard inwoners telt. Het resultaat van deze magie is een grafiek die niet alleen succes ademt, maar ook controle. En ook hier weer: lokale autoriteiten die gunstige cijfers naar het niveau boven hen melden.

Economen die China volgen hebben sinds jaar en dag andere indicatoren bij de hand om de economische activiteit te meten. De hoeveelheid licht boven industriegebieden. De schaduw die de zon werpt in olie-opslagtanks, zodat met satellietbeelden te zien valt hoe vol of leeg ze zijn. Drukte in verkeer en scheepvaart, de activiteit die Japanse grondverzetmachines aan hun makers terug rapporteren.

En dan nog: 2008 meldde de Wereldbank dat de Chinese economie, op basis van koopkracht, veertig procent kleiner was dan voorheen werd gedacht. Die van India trouwens ook.

Deze dinsdag rapporteerde China voor het eerst geen nieuwe corona-sterfgevallen. Succes! Maar wat is dat waard? Ook in de Verenigde Staten, die bestuurlijk veel verbrokkelder en chaotischer zijn dan hier vaak wordt aangenomen, bestaat er nu al grote verwarring over het dodental, zo schreef de New York Times afgelopen weekeind. Iedereen rekent lokaal anders. En waarschijnlijk zijn er al veel meer mensen overleden dan het officiële cijfer meldt. Voor Engeland geldt hetzelfde en, aannemelijk, ook in andere Europese landen.

Maar ook in dit opzicht is China extremer. Alleen al in Wuhan zou het aantal doden in werkelijkheid rond de 40.000 kunnen liggen, schreef onze correspondent al. Dat is twaalf maal het officiële cijfer voor de hele provincie Hubei.

Op basis van officiële cijfers cultiveert het land intussen zijn imago van efficiency en daadkracht, en stappen de Chinese dokters nu overal ter wereld behulpzaam uit vliegtuigen om te laten zien hoe het moet. Want dit is óók een imagostrijd van een opkomende supermacht. Die het ditmaal door de zittende macht, de VS, ook wel érg gemakkelijk wordt gemaakt.

Mao wilde destijds de wereld laten zien hoe succesvol de jonge communistische staat industrialiseerde. Kijk naar die staalproductie! Aanschouw die omgebogen coronacurve!

Maarten Schinkel schrijft over economie en financiële markten.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.