Opinie

Zo simpel is het

Ellen Deckwitz

Elke dag bel ik even met mijn oudoom Karel, die vanwege zijn leeftijd (100 of zo) tot de coronarisicogroep behoort, al vindt hij zelf van niet. Hij is ervan overtuigd dat de dood niet voor hem geldt en dat begint steeds aannemelijker te worden, aangezien hij inmiddels meerdere Japanse interneringskampen, diverse auto-ongelukken, twee huwelijken, een helikoptercrash (oké, bij het opstijgen), een slangenbeet én een beenmergtumor heeft overleefd. Hij zegt altijd dat hij onsterfelijk is tot het tegendeel bewezen wordt, en daar valt tot dusver weinig tegen in te brengen.

We babbelden gistermiddag wat over de crisis om het vervolgens over ons favoriete onderwerp te hebben: eten. Karel is een geweldige kok. Een recept beschouwt hij niet als een instructie maar als een partituur.

„Ik ben een goede pan bouillabaisse aan het maken, joh”, glunderde hij, „zo een die je een dag moet laten trekken, en die je dan aanvult met kooknat van een sufgestoofde zeeduivel en dorade. O jongens, dat was waar ik in het kamp het meest naar verlangde: een fatsoenlijke bak soep.”

„Niet een goede biefstuk?”

„Nee”, zwijmelde hij, „soep is het koninginnestuk van de keuken. Alleen al een goede bouillon, zo een waarbij je na de eerste hap nooit meer zonder kunt, is een precisiewerkje hoor. Een horloge in elkaar zetten is er niets bij.”

„Dat kun je toch ook hebben bij het perfect gekookte ei?”

‘Onzin”, zei hij resoluut, „er zit iets in soep dat communiceert met een ouder deel van onszelf. Misschien dat het komt omdat het eerste dat je als mens eet vruchtwater is. Dat is warm en zit ook vol proteïnen, elektrolyten, lipiden, koolhydraten. Misschien dat soep daarom wel troost. Omdat in een wereld waar zoveel vergankelijk is, er tenminste iets altijd hetzelfde blijft.”

„Soep doet mij juist denken aan mijn kindertijd”, zei ik.

„Mij ook”, juichte Karel, „als ik ziek was, voerde mijn moeder me sloten kippensoep. Het is een briljant gerecht, vraagt niet veel van ons lichaam, is zacht voor het gebit, je kunt het blind eten. Het is, tenzij je er vijftig pepers of een overschot aan peulvruchten in doet, makkelijk te verteren. En je maag verdient ook wat rust he, die heeft al vaak genoeg te lijden onder de opwellingen van de tong”.

„Dat is waar.”

„Even roeren, moment”, zei hij, en op de achtergrond klonk even gepruttel en het zachte getik van een spatel tegen een pan.

„Het bestaan is soms zo heerlijk overzichtelijk”, mijmerde Karel ten slotte, „want wat moet je doen om te overleven? Gewoon soep eten. En wat doe je als je eenmaal hebt overleefd? Nog steeds soep eten. Zalig. Zo simpel is het”.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.