Inbreuk op merkrecht treft beheerder webplatform niet

Economie en recht Deze rubriek belicht elke week kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Ditmaal Europees recht.

Still uit Davidoff-commercial

In de webwinkel van Amazon in Duitsland werden flesjes parfum van het merk Davidoff aangeboden. De rechten voor het gebruik van dat merk zijn in handen van de Amerikaanse parfummaker Coty. Die kwam erachter dat de flacons in de webshop nagemaakt waren. Een handelaar had ze, zonder toestemming van Coty, op het onlineverkoopplatform aangeboden. Amazon exploiteerde een depot waarin de flesjes waren opgeslagen. Bestellingen werden uitgevoerd door externe bezorgdiensten.

Coty beschouwde deze handelswijze van Amazon als inbreuk op zijn merkrecht en eiste stopzetting van het aanbieden en verkopen van de nep-Davidoff via diens webwinkel. In hoger beroep legde het Bundesgerichtshof het geschil voor aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De hoogste federale rechter in Duitsland wilde weten of Amazon, zonder te weten dat het om een namaakartikel ging, inbreuk pleegde op het merkrecht van Coty door de handel in deze parfum te faciliteren.

Het Hof besliste vorige week dat Amazon hier geen blaam trof. Het ‘gebruik’ van het merk veronderstelt volgens het Hof „een actieve gedraging” en „een rechtstreekse of indirecte controle” over de verkoop. Dat gaat volgens het Hof in dit geval alleen op voor de verkopers en de kopers van artikelen via elektronische marktplaatsen. Zij gelden als de gebruikers en eventueel misbruikers van het merk, niet de beheerder van zo’n onlineplatform. De webwinkel hield de gewraakte namaakartikelen alleen in voorraad. Dat zou alleen als ‘gebruik’ van het merk, en dus als inbreuk, gekwalificeerd worden als Amazon zelf van plan was (geweest) dat product te koop aan te bieden of in de handel te brengen. Van dat oogmerk was geen sprake.

Uitspraak: ECLI:EU:C:2020:267