Kinderen van ouders met ‘cruciale beroepen’ worden overdag opgevangen, zoals hier in de buitenschoolse opvang Buikslotermeer in Amsterdam-Noord.

Foto Olivier Middendorp

Interview

Onderzoeken hoe besmettelijk kinderen zijn, blijkt lastiger dan gedacht

Susan van den Hof van het RIVM Terwijl ouders willen weten wanneer de scholen weer openen, loopt het cruciale onderzoek ernaar vertraging op. Nog maar de helft van de honderd gezinnen die nodig zijn voor het onderzoek, is gevonden.

Zodra minister Arie Slob (Basis- en Voortgezet Onderwijs, ChristenUnie) op een persconferentie aankondigt dat de scholen dichtgaan én dicht blijven tot hij meer weet over de besmettelijkheid van kinderen, ligt het lot van ruim twee miljoen leerlingen, hun ouders en docenten in handen van háár, Susan van den Hof. Ze is hoofd van het Centrum voor Epidemiologie en Surveillance van Infectieziekten van het RIVM en leidt het onderzoek waarop de minister wacht.

Slob zei op die persconferentie op 15 maart: : „In de komende drie weken zal er […] onderzoek worden gedaan in Brabant naar de besmettingsrisico’s van jongeren en deze informatie zal mede ook gebruikt worden voor het bepalen van volgende stappen na 6 april.”

Meer duidelijkheid dus, in drie weken. Maar Van den Hof weet dan al: de opzet is nog maar net goedgekeurd. Honderd gezinnen moet ze nog zien te vinden. Elk gezin wordt zes weken gevolgd.

Hoe de minister bij die drie weken kwam? Van den Hof: „We verwachtten al een behoorlijk aantal gezinnen te kunnen includeren in maart. Dan zouden we de eerste resultaten begin april kunnen rapporteren.”

Het loopt anders. Het onderzoek loopt vertraging op. De honderd gezinnen zijn ook nu nog niet gevonden. De stand van afgelopen maandag: 51 gezinnen doen mee aan het onderzoek, nog 49 te gaan. Waarom duurde het langer?

Heksenketel na eerste patiënten

Lang voor het coronavirus Nederland bereikt, ligt in 2015 bij het RIVM al een opzet klaar voor een zogeheten first few hundred onderzoek; een vast concept. Het protocol staat op de site van wereldgezondheidsorganisatie WHO en er is zelfs een afkorting voor: FF100. De studies beschrijven hoe een nieuw virus zich vroeg in een epidemie uit en verspreidt, bij honderd patiënten in een land. Of, in honderd huishoudens, ook daar is een concept van.

De Nederlandse opzet is dan nog bedoeld voor een eerstvolgende griepepidemie. Van den Hof en haar collega’s passen hem aan voor Covid-19: een nieuwe vragenlijst, een klachtendagboek, uitgebreidere virologische en immunologische analyses. Ze leggen hem voor aan de medisch-ethische commissie van het UMC Utrecht, op 9 maart. Die keurt het vier dagen later goed. „We wilden ook niet echt de állereerste patiënten onderzoeken”, zegt Van den Hof, „omdat het dan nog een heksenketel is”.

De verpleegkundigen komen op woensdag 18 maart voor het eerst samen bij het RIVM in Bilthoven. Ze leren hoe ze zich moeten beschermen en patiënten het best bemonsteren – bloed, slijm, speeksel. Iedereen is klaar voor de eerste huisbezoeken. Maar waar zijn maskers, handschoenen, mondkapjes, schorten en brillen? Er is een schreeuwend tekort in heel het land. Met hulp van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de landelijke GGD komen die op zondag.

Op dinsdag 24 maart vindt het eerste huisbezoek plaats. Die avond benadrukt minister Slob in talkshow Op1 nog eens het belang van het werk van Van den Hof en haar collega’s. „Als duidelijk is dat dit onderzoek na 6 april pas zal gaan verschijnen, dan zal ook de maatregel dat de scholen nog niet opengaan […] verlengd worden”, zegt hij. „Het onderzoek moet klaar zijn, de uitkomsten moeten er zijn, om ook op basis van Nederlandse onderzoeken te kunnen bepalen wat wijsheid is voor het vervolg.”

Lees ook Reconstructie van de scholensluiting

Gevraagd naar waarom de minister vasthoudt aan die drie weken (van 15 maart tot 5 april), wil een woordvoerder alleen zeggen: „Hij heeft echt nergens gezegd dat het onderzoek dan is afgerond.”

Noord-Brabant bleek lastig

Het RIVM laat de dag na de talkshow weten dat het onderzoek is begonnen. Niet alleen in Noord-Brabant, zoals Slob zei, maar ook in Utrecht en Groningen. Provincies met veel, matig en weinig besmettingen.

„Brabant bleek lastig”, zegt Van den Hof nu. „Het idee was dat de uitbraak in Brabant het heftigst was. En in het begin werd iedereen nog getest.” Ze zoeken gezinnen waarvan één lid recent is besmet. „Alleen nuljarigen doen niet mee.” De GGD, die de besmetting vaststelt, vraagt het gezin om mee te doen. Van den Hof: „Als dat zo is, bellen we het gezin, leggen we uit wat de bedoeling is, sturen we informatie en bellen na.”

Maar terwijl heel Nederland wil weten wanneer kinderen weer naar school kunnen, wordt het testbeleid in Brabant strikter. Het aantal patiënten neemt toe, testen zijn schaars, de verpleegkundigen zijn ook in de ziekenhuizen hard nodig. Alleen risicopatiënten worden nog getest. „Dat zijn vooral ouderen die niet met kinderen in een huis wonen. Het was niet onze doelgroep.”

Vandaar dat Van den Hof het in meer provincies wilde proberen. Maar in Groningen zijn te weinig patiënten. Utrecht blijft over. De GGD daar heeft nog wat ruimte. Een op de drie benaderde gezinnen doet mee. „Soms hebben mensen geen zin om mee te doen. Of ze vinden het zelf best om wattenstaven in hun neus of keel te krijgen, maar willen hun kinderen er niet mee belasten.”

Buitenschoolse opvang Buikslotermeer in Amsterdam-Noord

Foto Olivier Middendorp

Nog maar de helft van de benodigde honderd gezinnen is gevonden, alle in de regio Utrecht. Van den Hof: „Maar het gaat nu sneller. In het begin moesten we alles nog uitvinden.”

Op 31 maart maakt Rutte bekend dat de scholen hoe dan ook dicht blijven tot na de meivakantie.

Wat houdt het onderzoek in?

Van den Hof: „Bij het eerste huisbezoek nemen we bij alle gezinsleden bloed af, neus- en keelwatten en een speekselmonster. We vragen of ze koorts hebben en of ze een dagboekje met klachten bijhouden. Bij klachten moeten ze bellen. Dan wordt getest op Covid-19. Na twee of drie weken komt de verpleegkundige opnieuw voor bloed, een neus- en keelmonster en om de klachten te noteren.”

Waarom die zes weken?

„Het kan een tijd duren voor iemand een gezinslid besmet en die besmetting in het bloed is terug te vinden. Bij een derde huisbezoek, na vier tot zes weken nemen we nog eens bloed af, om te zien of er antistoffen zijn aangemaakt. En weer speeksel. Mensen kunnen ook elke drie dagen ter aanvulling een neus- en keelmonster afgeven. Dat hoeft niet, maar het geeft veel aanvullende informatie over hoe lang het virus aanwezig blijft in de neus en keel.”

Wat is het doel van het onderzoek?

„Er zijn vijf doelen. We willen weten hoe de ziekte zich in de verschillende leeftijdsgroepen uit. Hoe het virus zich verspreidt binnen een huishouden. Hoe lang het virus in neus en keel te zien is en of je aan de hoeveelheid virus kunt zien hoe ziek iemand is. We willen weten hoeveel mensen wel besmet zijn, maar geen klachten hebben. En tot slot kijken we naar de opbouw van afweer bij zowel mensen zonder, als met klachten.”

Al die kinderen die nu thuiszitten. Waarom schaalden jullie niet op: meer dan de nu tien verpleegkundigen en in alle provincies?

„We hebben erover gesproken, maar het heeft geen zin. Het is moeilijk om verpleegkundigen te vinden, we moeten ze goed trainen. Het is ook een logistiek dilemma. Of ze moeten het hele land doorreizen of wij moeten door heel het land trainingen geven. Het kost tijd om alles door te spreken met GGD’s. En het gaat nu snel. Als we nu een provincie erbij doen, zijn we misschien een week eerder klaar.”

Elke vrijdag delen Van den Hof en haar RIVM-collega’s informatie met alle internationale specialisten van de WHO en het Europees centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC), in een teleconferentie. Er lopen vergelijkbare huishoudonderzoeken in het Verenigd Koninkrijk, Singapore, Australië, Nieuw-Zeeland, de Verenigde Staten, Canada, Libanon, Madagascar en Ivoorkust. „De resultaten zijn er nog niet. Al die onderzoeken lopen nog.”

Is in een van deze FF100-onderzoeken, in andere onderzoeken, in literatuur, uit de praktijk, onder al die specialisten één casus bekend waarin een kind een volwassene heeft besmet?

„Nee. Dat is nog nooit hard aangetoond. Maar misschien ook omdat het nog niet op deze manier onderzocht is.”

Wanneer is het onderzoek klaar?

„Dat duurt nog wel even. Maar zo rond 20 april hopen we een goede eerste indruk te kunnen geven op alle vijf vragen.”

De woordvoerder van minister Slob zegt dat voor 28 april duidelijkheid komt. „Het RIVM streeft ernaar dat er voor die tijd resultaten liggen van het onderzoek naar de rol van kinderen en jongeren bij het doorgeven van het virus. Het RIVM zal dit betrekken bij het advies.”