Mega-documentaire ‘The Story of Film’: 1.000 films wegkijken in quarantaine

Marathonkijken: The Story of Film Mark Cousins behandelt in ‘The Story of Film’ in 15 uur de filmgeschiedenis van de wereld. Visueel intelligent en indrukwekkend.

Still uit ‘The Piano’ van Jane Campion.
Still uit ‘The Piano’ van Jane Campion.

Hoeveel films kan een mens wegkijken tijdens de periode van sociale isolering? Toch wel zo’n duizend. Dat is tenminste het aantal filmfragmenten dat filmcriticus Mark Cousins laat zien in zijn ambitieuze internationale filmgeschiedenis The Story of Film. An Odyssey.

Toen zijn documentaire van vijftien delen van een uur in 2011 uitkwam was er nog nooit zoiets gedaan. Cousins had zich ten doel gesteld om het verhaal van de wereldcinema te vertellen; niet alleen van Hollywood en de Europese meesters, die traditioneel centraal staan in de filmgeschiedenis. Ook na 2011 is er nog niemand opgestaan met een megaproject met een vergelijkbare ambitie en reikwijdte.

Cousins toog niet alleen naar voor de hand liggende locaties zoals Los Angeles en Cannes, maar ook naar Caïro (om te praten met regisseur Youssef Chahine), naar Senegal (voor de films van Ousmane Sembène) en Iran (voor Abbas Kiarostami). Hij maakte in The Story of Film ook ruimte voor vrouwen, zoals de Franse filmpionier Alice Guy-Blaché, Agnès Varda en Jane Campion.

Toch is Cousins inhoudelijk geen echte hemelbestormer. Het verhaal van de eerste eeuw van film zoals hij dat behandelt is grotendeels bekend. Hij begint gewoon met de uitvindingen van Thomas Edison en de eerste filmvoorstellingen van de broers Lumière. Cousins gaat vervolgens de bekende perioden af: Duits expressionisme, Frans poëtisch-realisme, het ontstaan van het studiosysteem in Hollywood, de Europese auteurscinema van de jaren vijftig, het ontstaan van wereldcinema (‘Third Cinema’) in de jaren 60 en 70, en zo door tot in het heden. Hij eindigt met de impact van de aanslagen van 11 september 2001 op de filmkunst.

Inclusieve aanpak

Maar hij voegt er dus wel iets aan toe: de bloei van de Aziatische genre-cinema in Hongkong in de jaren zestig en zeventig (Bruce Lee); de ‘vijfde generatie’ van regisseurs die in de jaren tachtig de Chinese cinema opnieuw uitvond na de verwoestingen van Mao’s Culturele Revolutie; de kritische blik op het neokolonialisme in de belangrijke films van Djibril Diop Mambéty, die onder meer muziekvideo’s van Beyoncé en Jay-Z hebben beïnvloed.

Zo’n inclusieve aanpak is sympathiek, maar er zit ook een problematische kant aan. De canon volgens Cousins dijt steeds verder uit. Maar een canon zal om enige praktische waarde en betekenis te hebben niet alleen moeten insluiten, maar ook uitsluiten. Daar valt niet aan te ontkomen. Daar heeft Cousins zich niet of nauwelijks aan gewaagd. Hij biedt vooral méér filmgeschiedenis aan. Maar een geschiedschrijving die zo zelfbewust lof uitdeelt, maar geen scherpe keuzes durft te maken wordt tamelijk onhanteerbaar en zal op den duur vooral stof vergaren. De vraag is niet alleen: wie moet er in de canon? De onvermijdelijke vraag is ook: wie kan eruit?

Voor zulke kritische debatten moeten we niet bij Cousins zijn. Zijn reis door de filmgeschiedenis kun je gerust een pelgrimstocht noemen: Cousins is primair een enthousiasteling, een gelovige in cinema, die zijn filmliefde aangenaam weet over te brengen. Zijn grote talent is zijn vermogen om beelden te beschrijven, te analyseren en te duiden. Hij is een meester in het beschrijven van licht. Zijn visuele eruditie, zijn vermogen om te associëren en verbanden te leggen tussen filmscènes, is indrukwekkend.

Maar hij is minder sterk in grote lijnen. Hij hangt zijn geschiedenis op aan het concept innovatie, maar dat blijft grotendeels onuitgewerkt. Zijn visie op de filmhistorie van Hollywood draait om zijn stelling dat de ‘klassieke’ films van Hollywood eigenlijk niet klassiek genoemd moeten worden, maar ‘romantisch’. Klassiek wil volgens Cousins zeggen: terughoudend, rationeel, kalm en symmetrisch. Dat zijn de meeste Hollywoodfilms niet. Die gaan over heroïek, individualisme, emotie en passie; romantische waarden.

Maar een film kan inhoudelijk best romantisch zijn én door latere generaties filmmakers als hoogtepunt en maatstaf worden beschouwd. Zo’n romantische film is dan ‘klassiek’. Dat is gewoon een andere betekenis van het woord. De termen ‘klassiek’ en ‘romantisch’ hoeven geen tegenpolen te zijn en sluiten elkaar niet uit.

Lees ook de recensie van ‘The Story of Film’ uit 2012: Er zij film!

Storender is Cousins neiging om voortdurend vanuit een soort voice of god-perspectief zijn pauselijke zegen te geven aan films en filmmakers. Hij beschikt over een onuitputtelijke voorraad hyperbolen. Claire Denis maakte „de meest kruidige films van haar tijd”; Russian Ark van Alexander Soekorov is „misschien wel de meest inventieve film ooit gemaakt”; Come and See van Elem Klimov is „de beste oorlogsfilm ooit”; Youssef Chahines Cairo Station is „de eerste grote Arabische film en de eerste grote Afrikaanse film”.

Zulke stevige typeringen volgen elkaar in The Story of Film zo snel op, dat de kijker er wat murw van wordt. Ook Cousins’ liefde voor de tamelijke nietszeggende frase ‘speaking truth to power’ lijkt haast onbegrensd te zijn. Cousins sprak met een flink aantal filmmakers, maar hij weet hen slechts zelden een opmerkelijke uitspraak te ontlokken. Zijn eigen sfeerbeelden tussen de filmfragmenten door zijn niet sterk.

Cousins neiging om op te zoek gaan naar de ‘founding fathers’ (‘grondleggers’) van film komt nogal anachronistisch over. Hij heeft zich niet volledig los weten te maken van een visie op de geschiedenis als het domein en het speelveld van Grote Mannen, al heeft hij een plaats weten te vinden voor een enkele Grote Vrouw. Vijftien uur is voor het hele verhaal van film misschien ook gewoon te kort.

The Story of Film. An Odyssey. Regie: Marc Cousins. 15 afleveringen, 5 dvd’s. 19,99 euro