Jan Bonjer verlaat de journalistiek en wordt dijkgraaf. Foto Lars van den Brink

Interview

‘Lezers merken direct: is die krant gemáákt of gevúld?’

Jan Bonjer We moeten ‘streetwise’ blijven en minder Randstedelijk gefixeerd. Dat zegt Jan Bonjer in zijn afscheidsinterview als hoofdredacteur van Het Financieele Dagblad. Hij wordt nu dijkgraaf.

Alarm, schreeuwt Het Financieele Dagblad van vrijdag 13 maart. Op de voorpagina van de enige zakenkrant van Nederland wijst een grote pijl omlaag. ‘AEX -10,75%’. ‘Amsterdamse beurs maakt grootste val sinds 1987, nu wereld op slot gaat om coronavirus te remmen’. Zo alarmistisch is het doorgaans rustige FD zelden. En de crisis moet dan eigenlijk nog beginnen. Een gekke tijd om op te stappen, maar toch vertrekt hoofdredacteur Jan Bonjer.

Het is daags na de aankondiging van de eerste kabinetsmaatregelen tegen het virus. „Een pandemie, de kelderende olieprijs, de malheur op de financiële markten. Het is een cocktail van ongekende samenstelling”, zegt Bonjer in zijn glazen kantoor op de redactie. Die pijl op de voorpagina komt „uit mijn koker”, zegt hij eerst. En later: „Zet dat er maar niet in, want dat staat zo pocherig.”

Het maken van een dagblad is een gezamenlijk proces, wil hij vooral zeggen. „We hebben hier gisteren met de nieuwschef, chef krant en vormgevers bij elkaar gezeten. Dat is spannend: je weet dat je een uur hebt om de koers van de krant te bepalen. Als je niet van die druk houdt, dan moet je niet in dit vak gaan.”

Dat ga ik missen, zegt hij. De hoofdredacteur van het FD, die eerder het AD en het Dagblad van het Noorden leidde, stopt. Hij stapt zelfs helemaal uit de journalistiek. Dinsdag 31 maart was zijn laatste werkdag. Bonjer wordt dijkgraaf van het waterschap Hollandse Delta.

In deze crisis is de behoefte aan nieuws groter dan ooit en u verlaat de journalistiek?

„Ja, het is een grote stap. Ik ben 62 en ik heb een enorme behoefte nog een compleet andere klus te doen. Ik heb veel met de journalistiek, maar ik heb ook veel met het publieke domein en de wereld van het waterschap. Het FD laat ik achter met een gerust hart én met pijn in het hart.”

U gaf hier sinds 2012 leiding. Hoe laat u de krant achter?

Dat vind ik moeilijk zelf te beoordelen. Collega’s zeggen dat we in de afgelopen acht jaar journalistieker zijn geworden; ze vinden dat we een volwassener dagblad zijn geworden en een volwassener, opener redactie.”

Wat bedoelt u met ‘journalistieker’?

„Ik ben niet de grootste financieel-economische journalist van Nederland. Maar ik heb wel erg gestuurd op de journalistieke ontwikkeling, eindredactionele discipline, scherpte. Zowel in inhoud als presentatie. We keken hier van oudsher door een financieel-economisch vizier naar de wereld. Daar is een sociaal-economisch vizier bijgekomen. Wij volgen de arbeidsmarkt goed, het pensioenstelsel, het onderwijs. In die zin is de krant breder geworden. Dankzij de geslaagde digitalisering en die inhoudelijke heroriëntatie hebben we onze oplage kunnen verdubbelen naar 100.000.”

Dat zijn vooral digitale abonnees?

„Doordeweeks is meer dan de helft digitaal. In het weekend zal het ongeveer samsam zijn. Onze groei zit ábsoluut in de digitale oplage. Kijk, die verdubbeling is hartstikke mooi. Maar het is ook een harde bedrijfseconomische noodzaak. De Nederlandse dagbladen zijn in tien jaar 70 procent van hun print-advertentie-inkomsten kwijtgeraakt. Bij ons is dat ook absoluut naar beneden gegaan. Ik vind het journalistiek gezond dat we worden geschraagd door de lezersinkomsten.”

Zal het FD ooit alleen digitaal verschijnen?

„Niet snel. Ik heb die discussie nooit zo belangrijk gevonden. Het gaat over de inhoud van de journalistiek en hoe we die naar de lezer brengen volgt daarna. Je kunt in print dingen doen die je niet kunt doen online en omgekeerd. Een voorpagina bouwen en een signaal geven bijvoorbeeld. Print en digitaal zijn complementair. De journalistiek moet de komende jaren goed in de gaten houden hoe verschillende lezersgroepen gebruikmaken van onze platformen. Of in die mix altijd print zit weet ik niet.”

Sommige critici vinden dat u te veel de nadruk legde op het snelle nieuws, op de eerste zijn. En dat de discussie op de redactie minder ging over de grote nieuwsthema’s.

„Ik denk dat het in evenwicht is. Kijk naar ons onderzoek naar de Panama Papers met Trouw en de Bahama Leaks binnen het internationale consortium voor onderzoeksjournalisten ICIJ. Dat waren langdurige projecten. Redacteur Rob de Lange heeft in zijn boek Inside ASML het bedrijf uit Veldhoven in de schijnwerpers gezet toen het nog redelijk onbelicht was. En we hebben veel reconstructies gedaan. Helaas wonnen Vasco van der Boon, Ivo Bökkering en Pieter Couwenbergh vorig jaar net niet [de journalistieke vakprijs] de Tegel voor ons verhaal over de witwasaffaire bij ING, ‘Houston, you have a problem’.”

Het FD is nog zelfstandig. Dat maakt u kwetsbaar. Moet de krant zich niet aansluiten bij concerns als DPG of Mediahuis?

„Nee. Bij het AD heb ik weliswaar de schaalvergroting gezocht, want voor algemene kranten in Nederland is dat de enige uitweg. Maar er zitten nadelen aan. Ik zie veel identieke artikelen in de verschillende titels. Als het FD in een groot huis zou komen dan weet ik niet of dat tot een betere, meer onderscheidende krant leidt.

„In HAL Investments heeft het FD een heel serieuze en solide aandeelhouder. Ik denk dat de FD Mediagroep nog jarenlang zelfstandig zal blijven. De groep heeft meer vlees op de botten gekregen. We hebben BNR Nieuwsradio met wie we onder meer onze nieuwsagenda delen. Het is een beetje een grap, maar als je een primeur hebt bij het FD, dan moet je die wel zes uur ’s ochtends op de radio komen toelichten. Dat is dan je beloning, haha.

„De groep heeft ook een sterke divisie met data voor het Nederlandse bedrijfsleven opgebouwd met Company.info. Bovendien werken we internationaal heel goed samen met de Vlaamse zakenkrant De Tijd en het Handelsblatt in Düsseldorf. Dat is belangrijk. Zo kun je vrijelijk bijpraten en kennis uitwisselen. Dat was wel anders binnen PCM. Als hoofdredacteur van het AD zat ik de hele tijd met concurrenten bij elkaar.” PCM was destijds ook uitgever van de Volkskrant, NRC, Trouw en Het Parool.

Maakt u zich zorgen over de Nederlandse dagbladsector?

„We moeten echt letten op de pluriformiteit van de pers. Ik ben blij met initiatieven als De Correspondent en [financieel-economische onderzoekssite] Follow the Money, maar er zijn veel titels verdwenen. Er dreigt eenvormigheid: artikelen worden erg vaak rondgepompt én de journalistieke beroepsgroep is gekrompen. Daar ben ik zelf ook schuldig aan. Ik heb ook aardig wat reorganisaties gedaan. In het noorden en bij het AD.

„Natuurlijk is het belangrijk om te werken aan de digitale transformatie en de technologische ontwikkelingen – maar het gaat ook om passie. De journalistiek moet blijven vonken. Lezers merken direct: is die krant gemáákt of is die krant gevúld?

„En we moeten streetwise blijven. Journalisten zijn nu veel beter opgeleid dan vroeger. Maar we leven ook in een witte, hoogopgeleide, Randstedelijke bubbel. We moeten er op uit blijven gaan. Mensen aanspreken. Ook ’s avonds je bronnen bellen.”

Streetwise is ook dat de redactie een spiegel is van de diverse samenleving. Ook de FD-redactie lijkt een behoorlijk witte club.

„Dat is een heel belangrijk punt. De Nederlandse journalistiek wordt bedreigd door die bubbel. Daar worstelen wij ook mee. Je moet in je personeelsbeleid kijken naar gender maar ook naar etniciteit. En dat lukt, maar mondjesmaat. Dat is een lange route en we zijn nog maar aan het begin.

„Een heel andere dimensie is de enorme Randstedelijke gefixeerdheid. En dat wordt voor de Nederlandse media in toenemende mate een probleem, omdat de regionale pers in zwaar weer zit. Daar maak ik me echt zorgen over. Vroeger bladerde ik ’s middags altijd even door de regionale kranten en keek ik of ik onderwerpen daaruit kon pikken. Maar als je nu op zoek bent naar economische onderwerpen in de regionale dagbladen dan haal je niet zo veel meer op. Terwijl er geweldige dingen gebeuren in de regio, in economisch opzicht.

„We doen allemaal ons best, wij gaan naar Veldhoven voor ASML en naar Holten voor een boek over familiebedrijf OAD, maar we zijn nog lang niet ver genoeg. In de informatievoorziening op zijn minst is er sprake van een kloof tussen de rijke Randstad en de regio. Net als er in Engeland een kloof is tussen Londen en het platteland en in Frankrijk de gele hesjes de kloof tussen Parijs en de regio tonen.”