Opinie

De wereld zonder ons

Tommy Wieringa

Van een paar kanten bereikt me de vraag om mee te denken over de wereld van morgen. Hoe die eruitziet, hoe ze veranderd zal zijn. Zullen de mensen hun leven gebeterd hebben na de catharsis? Heeft de gedwongen stilstand geleid tot introspectie, en introspectie tot zelfverbetering? De hemel is schoon nu, het water helder, en onze ziel, komt die ook gewassen tevoorschijn straks?

Ik beschouw het als vragen die een verlangen uitdrukken. Ze getuigen van de zorgen over de wereld van gisteren, van moeheid over die zorgen, en drukken de hoop uit dat de wereld van morgen een betere zal zijn, na de harde cesuur van deze pandemie.

Vreemde nieuwe droomwereld met haar lege straten. Dieren verlaten hun schuilplaatsen en verkennen de vrijgekomen ruimte. In Santiago de Chile schuimt een poema door de straten, de stadsparken van Barcelona worden door everzwijnen omgewoeld. Waar nog menselijk leven is, wordt de hygiënische afstand van anderhalve meter ervaren als een nieuwe, comfortabele beleefdheidsnorm, die ons bevrijdt van elkaars opdringerige nabijheid.

De snelwegen zijn als bij toverslag halfleeg, bedremmeld zwijgen de stemmen die ons gewoonlijk meedelen waar de files allemaal staan. Er is een onwerkelijke rust op aarde neergedaald, zoals ook in de hemel boven ons hoofd nauwelijks meer een vliegtuig te bekennen is. Onze bewegingen zijn teruggebracht tot de allernoodzakelijkste, zoals bezoekjes aan onze oudjes, die we bekijken vanachter glas, op dezelfde manier waarop we naar kiemend zaaigoed onder glas in de vensterbank kijken: vervuld van hoop op leven. Dat daar bij de achterdeur is een pannetje boeuf bourguignon, roep je, en dat een fles rode wijn die er goed bij past – houd moed.

Even leeg als de heenweg is de weg naar huis terug. Een ongepast vakantiegevoel, zoals je kunt hebben in augustus, vooral tijdens de bouwvak, als het halve land naar verre vakantieoorden is uitgezwermd. Hoe bedrukkend schijnen opeens de bedrijvigheid en de gehaastheid van voorheen, met middelvingers, lichtsignalen en woest getoeter als uitdrukkingen van het meedogenloze tijdsregime dat zijn macht uitoefent over al die mensenlevens. Verdwenen zijn de ziektes die we elkaar geluidloos toewensen vanachter glas, mensen lijken wel, tsja, aardiger geworden nu ze minder haast hebben en er echt iets op het spel staat.

‘Toestand van de mens”, schrijft Pascal in zijn Pensées, „onstandvastigheid, onlust, onrust”. We moeten wel in beweging blijven om te ontsnappen aan de verveling, de somberheid en de wanhoop die ons overvallen wanneer we gedwongen zijn stil te zitten. Dit brengt Pascal op zijn beslissende gedachte, die het beroemdst is geworden van allemaal: „Toen ik mij ertoe zette om over al het gedoe van de mensen na te denken, en over de moeiten en gevaren waaraan zij zich blootstellen, heb ik de ontdekking gedaan, dat al de ellende van de mensen uit één oorzaak voortspruit, namelijk dat ze geen ogenblik rustig in een kamer kunnen blijven zitten” (vertaling: Rob Limburg).

De dood zit ons op de hielen – zolang we maar in beweging blijven en verstrooiing zoeken, zal hij ons niet vinden. Onze reisbewegingen lijken nuttig en rationeel, maar moeten worden verstaan als evenzoveel vluchtpogingen: „Wij zijn op beweging aangelegd, algehele rust is de dood.”

Nu zitten we dan noodgedwongen in een kamer, maar wat er ook veranderd zal zijn na de crisis, niet de menselijke natuur. Die is onveranderlijk en hopeloos. Met de hartstocht van lang gescheiden minnaars zullen we ons herenigen met onze slechte gewoontes, en er nog een paar aan toevoegen. De machine zal, met andere woorden, nog meedogenlozer gaan draaien dan voorheen. Maar er is een stil moment geweest, een bezinning die uitzicht gaf op een wereld zonder ons, waarin de geiten uit de heuvels kwamen om de heggen kaal te vreten.

Tommy Wieringa schrijft elke week een column op deze plaats.