Na de moord op Sisi werd de jacht op anarchisten geopend

Geschiedenis Het geweld dat anarchisten in de 19de eeuw pleegden, had een grensoverschrijdend karakter. Voor politiediensten was deze terreur de aanleiding om internationaal te gaan samenwerken. In Nederland liep het Rotterdamse korps voorop.

De Italiaanse anarchist Luigi Lucheni steekt keizerin Sisi dood voor haar hotel in Genève.
De Italiaanse anarchist Luigi Lucheni steekt keizerin Sisi dood voor haar hotel in Genève. Illustratie DeAgostini/Getty Images

Politiebewaking? Nergens voor nodig. Keizerin Elizabeth van Oostenrijk – Sisi voor intimi – was op bezoek in de Zwitserse stad Genève. Het was september 1898 en Europa zuchtte al een paar jaar onder een reeks moordaanslagen door anarchistische terroristen. Sisi was echter niet bezorgd, omdat ze haar bezoek incognito aflegde. Toen de politiecommissaris van Genève ongevraagd agenten voor de deur van haar hotel zette, liet ze die wegsturen. Ze vertrouwde erop dat inchecken onder een gefingeerde naam – de gravin van Hohenembs – voldoende bescherming bood. Dat was een vergissing.

In Genève wachtte de Italiaanse anarchist Luigi Lucheni op zijn kans. Hij was naar Zwisterland afgereisd om er de hertog van Orléans te vermoorden, maar die bleek niet in de stad aanwezig. Lucheni zocht daarom naar een ander doel, toen hij in de krant las dat er een mysterieuze gravin was aangekomen in Hotel Beau Rivage. Hij ging posten voor het statige gebouw, en zag op 10 september Elizabeth met een klein gevolg naar buiten komen. Gewapend met een geslepen vijl wierp hij zich op de keizerin en stak haar in de borst. De wond was zo klein dat Sisi aanvankelijk niets in de gaten had. Ze liep nog een stuk door, voordat ze in elkaar zakte. De dokter die was opgeroepen, kwam te laat. Elizabeth was bij zijn aankomst al overleden.

Deze moordaanslag op de keizerin van Oostenrijk en koningin van Hongarije was voor politiediensten en overheden in heel Europa het signaal dat er nu écht iets moest gebeuren aan het gevaar van het anarchistisch terrorisme, zegt historicus Wouter Klem. Hij promoveerde onlangs aan de Universiteit Utrecht op het proefschrift Uit angst geboren. Transnationale politiesamenwerking tegen de anarchistische ‘samenzwering’, 1880s-1914. „Nog in het jaar van de moord op Elizabeth werd er een grote conferentie gehouden in Rome waar politiefunctionarissen uit tal van landen afspraken maakten om samen op te trekken tegen het anarchisme.”

Propaganda van de daad

Waar kwam deze golf van anarchistische terreur vandaan? „In de loop van de negentiende eeuw tekende zich een splitsing af binnen het socialisme”, zegt Klem. „Aan de ene kant had je de aanhangers van Karl Marx. Zij wilden het lot van de arbeiders verbeteren binnen het bestaande politieke systeem. Aan de andere kant zaten de aanhangers van Michail Bakoenin. Zij lieten het hele idee los van een autoriteit en een overheid. Er mocht geen regime meer zijn dat mensen oplegde wat ze wel en niet mochten doen. Om dat ideaal te bereiken, waren ze bereid om geweld te gebruiken. Dit waren de anarchisten.”

Met het plegen van aanslagen hoopten zij het proletariaat tot een revolutie te bewegen. Deze strategie werd ‘de propaganda van de daad’ genoemd. Klem: „In 1881 was er een conferentie van anarchisten in Londen. Daar werd afgesproken om over te gaan tot geweld. In dat jaar liep toevallig ook het patent van Alfred Nobel op dynamiet af, dus er kwamen meer explosieven beschikbaar op de markt.”

Vanaf de jaren negentig voerden de anarchisten hun geweld op, zegt Klem. „Eerst met bomaanslagen als wraakacties, op bijvoorbeeld rechters en openbaar aanklagers die verantwoordelijk waren voor de veroordeling van kameraden. Hierna werd de aandacht verlegd naar publieke gebouwen als theaters en cafés: de hele bourgeoisie was nu het doelwit. In de laatste fase was er sprake van gerichte moordaanslagen op hoogwaardigheidsbekleders. Behalve Elizabeth doodden anarchisten bijvoorbeeld ook president William McKinley van de Verenigde Staten.”

Steeds sterker nationalisme

Omdat anarchisten overal ter wereld aanslagen pleegden, meenden de autoriteiten dat er sprake was van een internationale samenzwering. Die moest dus ook internationaal bestreden worden. Hier deed zich echter een probleem voor, want de negentiende eeuw was ook de eeuw waarin een steeds sterker nationalisme landen uit elkaar dreef. „Er is wel geprobeerd om tot politieke samenwerking te komen, maar dat bleek niet haalbaar. De meer liberale landen wilden lang niet zo ver gaan in de aanpak van het terrorisme als de conservatieve landen. Daarom liet de politiek het initiatief aan de politie. Zolang er maar geen ruchtbaarheid aan werd gegeven, was er op het gebied van praktische politiesamenwerking veel mogelijk.”

Om die grensoverschrijdende terrorismebestrijding in kaart te brengen, bezocht Klem archieven in heel Europa. Zijn onderzoek laat zien dat er sprake was van een sterk toenemende uitwisseling van gegevens en methodes. „Dat begon allemaal heel informeel, met politiechefs die brieven schreven aan collega’s in het buitenland en studiereizen ondernamen. Omdat elk land repressieve maatregelen nam, werden overal anarchisten preventief de grens over gezet. Het was dus zaak om die mensen in de gaten te kunnen houden.”

Valse identiteiten

Dus was er een dringende behoefte aan manieren om mensen te kunnen identificeren die zich van valse identiteiten en vermommingen zouden kunnen bedienden. Klem: „Een pionier op dit gebied was de Parijse commissaris Alphonse Bertillon. Hij stelde een lijst op van elf uiterlijke kenmerken die van elke verdachte moesten worden opgemeten en genoteerd. Daarnaast moest iedereen gefotografeerd worden, vond hij, en face en en profil. Dit werd algauw de standaard in Europa.”

Al deze nieuwe informatie werd opgeslagen in enorme databases: kasten vol met duizenden dossiers en foto’s. „Kopieën daarvan werden op verzoek door heel Europa verstuurd”, zegt Klem. „Op een geven moment ontwikkelde men een cijfersysteem voor het weergeven van uiterlijke kenmerken, zodat gegevens ook eenvoudig per telegraaf verzonden konden worden.”

Nederland werkte volop mee aan dit systeem, ontdekte Klem. „Ik ben bijvoorbeeld brieven tegengekomen van de politie uit Berlijn die aan de politie in Rotterdam vraagt om de gegevens van 190 mensen die voorkwamen in de Rotterdamse catalogus van mogelijke anarchisten. Die werden zonder meer opgestuurd door de Rotterdammers. Aan privacy-wetgeving deed men toen nog niet.”

Reis langs havensteden

Rotterdam was sowieso de voorloper in Nederland als het ging om de terrorismebestrijding. Dat kwam door Willem Voormolen, de politiecommissaris daar. Klem: „Toen hij net was aangesteld, medio jaren negentig, maakte hij een reis langs met Rotterdam vergelijkbare havensteden in Duitsland en Frankrijk en de hoofdsteden Berlijn en Parijs. Daar leerde hij veel van: de Rotterdamse organisatie werd gereorganiseerd naar Hamburgs model, en uit Parijs nam Voormolen het systeem van Bertillon mee. Toen er een paar jaar later een rechercheafdeling werd opgezet, was de politie van Londen het voorbeeld. Het Rotterdamse systeem was zo leidend in Nederland, dat een protegé van Voormolen hoofdcommissaris werd in Amsterdam toen die post vrijkwam.”

De moord op de Amerikaanse president William McKinley in 1901, door Leon Czolgosz. Illustratie Roger Viollet Collection/Getty Images

De conferentie van Rome in december 1898 was een belangrijke stap in de formalisering van de internationale samenwerking. Klem: „Deels was dit een bevestiging van de praktijk zoals hij al was. Daarnaast kreeg ieder land een centrale politieautoriteit. Die zouden direct met elkaar gaan communiceren, zonder tussenkomst van diplomaten. Dat was echt een opvallende vernieuwing. Toen in 1923 de voorloper van Interpol werd opgezet, konden deze structuren bij de bestrijding van drugs- en vrouwenhandel worden gebruikt.”

Rest nog de vraag: wat heeft deze internationale politiesamenwerking bijgedragen aan het verslaan van het anarchistisch terrorisme? Het antwoord is vrij ontnuchterend, zegt Klem. „Ja, betere opsporing heeft geholpen, maar andere zaken waren ook belangrijk. De politiek werd na de jaren negentig bijvoorbeeld minder repressief. Mensen kregen de kans een socialistisch geluid te laten horen in de publieke opinie en de politiek. Wie zich kan uiten, zal minder snel naar geweld grijpen.”

Anarchistische vakbonden

Het anarchistisch terrorisme doofde dus uit in Europa, hoewel het aan de randen – in Spanje en Rusland – nog wel bleef bestaan. Deze tendens werd bekrachtigd in 1907 op een anarchistische conferentie in Amsterdam, zegt Klem. „De deelnemers kwamen tot de conclusie dat het gebruik van geweld averechts werkte. Ze besloten te gaan inzetten op anarchosyndicalisme, vakbonden die werden georganiseerd volgens anarchistische principes.”

Het anarchoterrorisme dat nu verdween, was een uniek fenomeen geweest vanwege het grensoverschrijdende karakter ervan, zegt Klem. „Om dat goed te kunnen bestrijden, was het belangrijk dat het anarchisme afgeschilderd werd als één grote samenzwering. Dan was iedereen verplicht zijn bijdrage te leveren.”

Conservatieve overheden

Deze framing om alle anarchisten – ook de vreedzame – als onderdeel te zien van een gewelddadig complot, leidde tot betere politiesamenwerking, maar bood conservatieve overheden ook nieuwe mogelijkheden tot onderdrukking van de oppositie. Klem: „In Rusland en Turkije werden alle politieke dissidenten aangeduid als anarchisten. En dat werkte: landen in West-Europa werkten braaf mee aan de vervolging van deze mensen.”

Hier werd dus voor het eerst duidelijk wat een kracht er uitgaat van het frame van een internationaal terroristisch complot, zegt Klem. „En dat werkt nog steeds zo, hebben we de afgelopen jaren kunnen zien.”