Opinie

Minister Bijleveld zal zich opnieuw moeten verantwoorden

bombardement Hawija

Commentaar

Terwijl corona het nieuws beheerst en ook de aandacht van de Haagse politiek volledig opeist, was er begin vorige week een nieuwe brief van minister Ank Bijleveld (Defensie, CDA) aan de Tweede Kamer over het ‘Hawija-bombardement’ waarbij in juni 2015 als gevolg van een aanval door een Nederlands gevechtsvliegtuig op een bommenfabriek van IS naar schatting 70 burgerdoden vielen. Het was het zoveelste schrijven over dit onderwerp met de zoveelste nadere toelichting en eveneens zoveelste excuses vanwege het niet goed informeren van de Tweede Kamer. Want weer bleek de zaak anders te liggen dan eerder gemeld.

Onder normale omstandigheden zou minister Bijleveld ongetwijfeld naar de Tweede Kamer zijn geroepen om zich voor de vijfde keer te verantwoorden. De coronacrisis die ertoe leidt dat de Kamer in danig afgeslankte vorm alleen nog maar over dit onderwerp bijeenkomt, heeft een nieuw treffen voorkomen. Maar ooit zal het debat met de minister toch gevoerd moeten worden. De aanleiding en het hierop volgende disfunctioneren van het ministerie van Defensie zijn te belangrijk om in de categorie ‘niet opportuun’ te verdwijnen.

Het gaat er nu om dat de zeventig burgerdoden die bij het bombardement vielen al sinds 2017 voor de Amerikanen een gegeven waren. Sinds april van dat jaar telden zij mee in de statistieken van het Amerikaanse opperbevel

. Eerder had minister Bijleveld steeds gezegd dat een specifiek aantal nooit was vastgesteld. In haar brief aan de Tweede Kamer schrijft de minister dat de nieuwe informatie afwijkt van eerder van Centcom ontvangen cijfers.

Bijlevelds correctie is des te pijnlijker omdat zij in december van het afgelopen jaar opnieuw naar de Tweede Kamer was geroepen om opheldering te verstrekken over juist deze cijfers. Toen was de specifieke vraag van het Kamerlid Sadet Karabulut (SP) of de zeventig burgerdoden in een Amerikaans defensierapport waren opgenomen en zodoende dus bekend waren. „Nee”, luidde het letterlijke antwoord van Bijleveld. Maar drie maanden later geeft de minister in haar brief toe dat de veronderstelling van Karabulut klopte en „betreurt” zij dat de nieuwe informatie „afwijkt” van haar eerdere mededelingen.

Wat het allemaal nog erger maakt is dat Bijleveld zichzelf in deze zaak al bij herhaling heeft moeten corrigeren. Haar verdediging is dat het de Amerikanen waren die haar verkeerde informatie hebben verstrekt. Maar wie de leverancier is van de informatie doet in dit geval niet ter zake. Het gaat erom dat de informatie niet klopt en daarvoor is Bijleveld verantwoordelijk. Juist omdat er gerede twijfels waren over de cijfers – dat was nota bene de aanleiding van het spoeddebat in december – had zij er gespitst op moeten zijn of deze wel klopten. Maar zij schaarde zich voetstoots achter de Amerikaanse lezing die dus fout was.

Het is al eerder vastgesteld. In de legitieme strijd tegen de Islamitische Staat is in de nacht van 2 op 3 juni 2015 iets faliekant fout gegaan. Niet voorzien was dat de aanval op een bommenfabriek als gevolg van opgeslagen springstoffen zoveel nevenschade en burgerslachtoffers zou maken. Het was geen opzet. Maar juist daarom is totale transparantie een eerste vereiste. Minister Bijleveld belooft deze transparantie telkens weer maar produceert vervolgens alleen maar mist en foute informatie. Het parlement kan en mag dat niet laten passeren.