Juist thuis hebben kinderen soms extra hulp nodig

Kwetsbare kinderen Lang niet alle kinderen hebben baat bij thuisonderwijs. Gemeenten moeten noodopvang verzorgen voor leerlingen die extra begeleiding nodig hebben of in een slechte thuissituatie zitten. Maar sommige leerlingen blijken op geen enkele manier te bereiken.

Een leeg klaslokaal op een basisschool in Den Haag.
Een leeg klaslokaal op een basisschool in Den Haag. Foto Bart Maat/ANP

Rion Pennings en haar collega’s zijn er de hele dag mee bezig: oplossingen bedenken voor kinderen bij wie het thuis-onderwijs niet gaat. Een kleuter met autisme die veel behoefte heeft aan structuur en na een week thuiszitten „zowat in de gordijnen vliegt” – en ook in de opvang op school de boel afbreekt, omdat het daar zonder vriendjes niet meer vertrouwd voelt. Een jongen met een IQ onder de 70 die het nodig heeft de stem van de juf te horen. Kinderen die agressief zijn of zich juist terugtrekken, of geen enkele thuisopdracht maken en niet op appjes reageren.

„Er zijn geen regels voor, dit is maatwerk”, zegt Pennings, bestuurder bij Hub Noord-Brabant, waaronder vijf scholen vallen voor speciaal onderwijs. Hier gaan kinderen naartoe van vier tot twintig jaar met een verlaagde intelligentie, emotionele stoornissen, gedragsproblemen, autisme of adhd. „Voor onze kinderen, zeker de jonge, is het moeilijker zich zelfstandig te vermaken. Ze hebben de nabijheid van een volwassene nodig, 24 uur per dag. Dat is nogal wat voor ouders die nu ook thuis moeten werken.”

Wekenlang thuiswerken is voor iedereen een uitdaging, maar voor sommige gezinnen is het extra complex. Zeker nu het kabinet deze week bekendmaakte dat de scholen nog tot en met de meivakantie dicht blijven. Thuis-onderwijs is lastig als kinderen extra hulp en structuur nodig hebben, zoals op het speciaal onderwijs. Of als ze thuis te maken hebben met verslaving, armoede, geweld. Of als er een broertje of zusje is met een handicap, een pasgeboren baby, weinig ruimte, gedragsproblemen, ouders die geen Nederlands spreken – de groep ‘kwetsbare’ kinderen, zoals ze vaak worden aangeduid, laat zich niet in één voorbeeld vatten.

Lees ook over kwetsbare kinderen: Thuis niet altijd veilige plaats

Veel scholen zoeken oplossingen. Ze richten bijvoorbeeld kleine klasjes in waar kinderen uit ‘kwetsbare situaties’ toch dagdelen naartoe kunnen. Ze proberen ouders te bereiken van kinderen met wie ze geen contact krijgen, al lukt dat niet altijd. Stichting Lucas Onderwijs uit Den Haag, waaronder 77 scholen vallen, kon deze week ruim 200 van de 34.000 leerlingen niet bereiken. „We doen er echt alles aan om contact te krijgen”, zegt voorzitter Ewald van Vliet. „Soms blijken kinderen naar hun land van herkomst vertrokken, Polen bijvoorbeeld. Dat horen we dan via via.” De stichting heeft de gezinnen bij leerplichtambtenaren gemeld.

Kindertelefoon voert 1.500 in plaats van 1.000 gesprekken per dag

De komende weken zal het aantal leerlingen dat opvang nodig heeft groeien, denken scholen. Het thuiswerken begint in meer gezinnen te knellen. Een leerkracht van een basisschool in het centrum van Amsterdam zegt dat ze in de eerste week van de schoolsluiting vier ‘zorgleerlingen’ telde in haar klas van 27. Bij het Facetimen met leerlingen ziet en hoort ze wat zich afspeelt. „Ik heb een meisje in de klas van wie de ouders de taal niet spreken, zij neemt de juffenrol op zich voor haar zusje. Er is enorm veel herrie op de achtergrond: haar moeder heeft haar broertje niet in de hand. En een jongen die in de klas altijd zijn best deed, gooit nu zijn kont tegen de krib. Zijn moeder was helemaal bezweet.”

Vaker naar de zorgboerderij

Gemeenten zijn in de eerste plaats verantwoordelijk voor de ‘noodopvang’ van kinderen in de corona-crisis. Vijf dagen nadat het kabinet tijdelijke sluiting van scholen en kinderdagverblijven aankondigde, schreef minister Arie Slob (Basis- en Voortgezet Onderwijs, ChristenUnie) dat scholen er samen met kinderopvang, Veilig Thuis en jeugdzorg voor moeten zorgen dat kwetsbare leerlingen elders les krijgen. In de bibliotheek bijvoorbeeld, of in een klaslokaal.

Over het algemeen pakken gemeenten dit volgens de Vereniging van Nederlandse Gemeenten goed op. In Dordrecht kwamen direct na de schoolsluiting over kinderen al signalen binnen waar men „buikpijn” van kreeg, vertelt wethouder Peter Heijkoop (CDA). Hij verzocht alle onderwijs- en kinderopvang-organisaties per brief deze gezinnen in kaart te brengen en te helpen. „Enkele tientallen” kinderen maken volgens de wethouder nu gebruik van de noodopvang. Hij sluit niet uit dat het er meer worden. „Het zou over honderden kunnen gaan.”

Hoe op maat gesneden de oplossingen soms zijn, laat het verhaal zien van Thijs (12) uit Noord-Brabant. De gemeente, het samenwerkingsverband passend onderwijs en zijn school regelden (en financieren) dat hij vier dagen per week naar de zorgboerderij kan waar hij anders na school naartoe gaat. Het was „best wel vervelend” dat hij door corona opeens de hele dag thuis moest blijven, vertelt hij. „Ik werd een beetje verdrietig en boos en druk. Het liefst ga ik naar school want dan heb ik een vast ritme.”

Thijs heeft autisme, flinke gedragsproblemen en een taalontwikkelingsstoornis, vertelt zijn moeder, die om hem te beschermen niet wil dat zijn achternaam in NRC komt. Zijn sociaal-emotionele ontwikkeling ligt op het niveau van een vierjarige. De zorgboerderij geeft hem deels de structuur terug die hij door de corona-crisis mist. Er zijn koeien, schapen, kippen, konijnen, cavia’s en eenden, vertelt Thijs, die hij mag voeren en „lekker knuffelen”. De koeien vindt hij het leukst. „Dat is wel fijn want daar ben je lekker bezig. Ik doe klusjes. Er zijn nu maar drie andere kinderen in plaats van tien, dat is wel wennen.”

Lees ook: Het hele gezin thuis, hoe laat je dat goed gaan?

„Welke kinderen kampen met leerproblemen is vaak wel bekend,” zegt voorzitter van de PO-raad (primair onderwijs) Rinda den Besten, „maar andere moeilijkheden – schulden, ggz-problemen van de ouders – zijn scholen niet altijd duidelijk. Daarom moeten we dit met gemeenten doen.” De vereniging hield afgelopen week een peiling onder driehonderd schoolbesturen. Daaruit bleek dat scholen nu 45 procent van de kwetsbare leerlingen in beeld hebben. Den Besten: „Dat vind ik nog niet zoveel.”

Onzichtbare groep

Over die ‘onzichtbare groep’ – kinderen die mogelijk te maken hebben met verwaarlozing of mishandeling maar niet bekend zijn bij de hulpverlening – maakt Kinderombudsvrouw Margrite Kalverboer zich zorgen. „School is voor hen normaal gesproken de plek waar ze de spanning van thuis even niet voelen. Dat valt nu weg. Ook kunnen deze kinderen nu minder goed terugvallen op degenen bij wie ze gewoonlijk steun zoeken. Vrienden, grootouders of de voetbalcoach zijn ineens ver weg.”

Als kinderen geen huiswerk inleveren, kan dat volgens Kalverboer betekenen dat ze het thuis moeilijk hebben. Ze riep deze week leerkrachten op extra goed op deze leerlingen te letten en ook hen naar school te laten gaan.

Bij Veilig Thuis kwamen sinds de coronamaatregelen tot dusver niet meer meldingen van huiselijk geweld binnen. Maar bij de Kindertelefoon voeren de vrijwilligers zo’n vijftienhonderd gesprekken per dag in plaats van de gebruikelijke duizend. Het aantal telefoontjes over huiselijk geweld, seksueel misbruik, ruzie, kinderen die zeggen niet thuis te willen zijn, steeg de afgelopen twee weken met 40 procent.

De kleuter met autisme die erg druk werd van thuiszitten, was ook op school niet te bedaren, vertelt bestuurder Rion Pennings van schoolbestuur Hub Noord-Brabant. „We hebben aan het eind van de ochtend de ouders gebeld en gezegd: haal hem maar op, het is hier erger dan thuis. Dat is onmacht – hij kan totaal niet duiden wat er aan de hand is. Maar het kan goed dat nu hij gezien heeft dat er ook op school geen vriendjes zijn, hij thuis een stuk rustiger is.”

Albertico bevraagt niet zijn moeder

Albertico (10) zit in groep zeven. Hij woont met zijn moeder in Rotterdam. Dagelijks belt hij met zijn leraar.

„Elke ochtend doe ik de helft van mijn huiswerk en in de middag doe ik de andere helft. Om twee of drie uur ben ik meestal klaar. Dan ga ik op de Playstation spelen of YouTube-filmpjes kijken. Via de Playstation heb ik nog contact met alle kinderen. Of eigenlijk de jongens, de meisjes uit mijn klas hebben geen Playstation.

„Thuis werken is echt saai. Je kunt bijna niks. Als je op school een vraag hebt, staat de meester er altijd. Nu staat er niemand. Het is best moeilijk om huiswerk te maken, onze computer is kapotgegaan dus ik moet alles op de tablet doen.

„Ik heb een hele leuke meester, meester Wesley. Hij is grappig en kan goed uitleggen. Nu belt hij ons. Hij zegt dan: ‘Heb je je werk af?’ Soms belt hij omdat ik een opdracht niet heb gemaakt. Dan doe ik het alsnog.

„Mijn moeder komt uit de Dominicaanse Republiek, daar spreken ze Spaans. Als ik iets niet snap vraag ik het aan mijn klasgenoten via de Playstation. Ze zeggen niet het antwoord maar helpen je wel. Mijn vader spreekt heel goed Nederlands, maar hij woont hier niet. Hem bel ik soms op.

„Ik vind het heel saai dat ik niet naar school kan, maar huiswerk maken vind ik niet erg. Het is altijd goed om te doen, zo kun je slimmer worden.”

Marit gaat als enige van haar klas naar school

Marit (8) gaat drie dagen per week naar school met haar zusje Famke (4). Hun zus Jasmijn (10) heeft een ernstige meervoudige handicap en is door de corona-crisis nu elke dag thuis. Dat legt veel druk op haar ouders, die Jasmijn verzorgen én thuiswerken. Daarom vangt de school Marit en Famke een paar dagen op.

„Ik ben de enige van mijn klas die naar school gaat. Soms is dat fijn, want ik merk dat ik nu leukere lessen krijg. En soms niet. Want ik zit met kinderen uit allemaal groepen en die uit groep 7 en 8 gaan de hele tijd praten.

„Op school kan ik beter werken. En het is leuk want er zijn meer knutselspullen. Ik ben thuis wel heel snel klaar met mijn opdrachten, de meeste kan ik goed zelf doen.

„Famke werkt in de woonkamer maar daar mag ik van papa niet werken. Hij zegt dat ik me daar niet goed kan concentreren. Jasmijn is daar. Ik vind haar heel gezellig. Ze is altijd vrolijk en lacht en klapt veel in haar handen. Ze heeft een vriendin en een vriend, die kan ze nu niet zien.

„Soms vind ik het niet leuk dat ze er is. Als we een spelletje doen gaat ze steeds de dobbelsteen weggooien.

„We hebben heel veel oppassen voor Jasmijn, volgens mij elf. Nu komt in de ochtend een oppas en die gaat om 12 uur weg en dan komt er een andere oppas. Eentje hebben we al heel lang, die is best oud. Ze kwam zelfs een keer bij ons logeren toen papa en mama een weekend weg gingen voor concerten.”