Jeroen van Merwijk: „Ik heb altijd gedacht dat ik vooral een schrijvers-schrijver was, voor een paar liefhebbers. Dat blijken er veel meer te zijn.” Foto Merlijn Doomernik

Jeroen van Merwijk: ‘Na het fatale bericht had ik de sereniteit waarop ik hoopte’

Interview Hij voelde een bobbel onder zijn borstbeen, de oncoloog stelde uitgezaaide darmkanker vast. Met enige opluchting aanvaardt liedjesschrijver en beeldend kunstenaar Jeroen van Merwijk (64) zijn lot.

Het afgelopen jaar was hij drukker dan ooit. Cabaretier Jeroen van Merwijk schreef in 2019 elke dag een liedtekst. Zijn vrouw Jeannette heeft toen weleens tegen hem gezegd: „Het lijkt wel alsof de dood je op de hielen zit”. Op dat moment kon ze niet bevroeden hoe dicht ze bij de waarheid zat.

In december speelde hij met zijn programma Was volgend jaar maar vast voorbij in De Kleine Komedie. Hij voelde zich moe. Niet zo raar, met dertien voorstellingen in veertien dagen. En hij werd ook wel erg mager, vonden de mensen om hem heen. Maar ja, hij valt vaak kilo’s af tijdens tournees. Geen reden tot ongerustheid dus. Maar die rare bobbel onder zijn borstbeen was wél nieuw, en een reden om naar de dokter te gaan. De huisarts stuurde hem direct door voor een echo. In het Antoni van Leeuwenhoekziekenhuis werd vervolgens uitgezaaide darmkanker vastgesteld. De oncoloog draaide er niet om heen. „Ze zei: mijnheer Van Merwijk, u hebt zonder behandeling nog twee, drie maanden te leven”.’ Hij nam het verbazingwekkend rustig op. „Ik heb geen moment gehad dat ik me boos voelde of verdrietig. Ik heb het geaccepteerd, zoals je het weer accepteert.” Hij koos voor een chemobehandeling, die in het beste geval twintig maanden respijt zou kunnen bieden. „Dat leek me toch wel de moeite waard. Vooral voor de mensen om me heen.”

Eigenlijk voelt hij zich nog steeds prima, zegt Jeroen van Merwijk (64) monter. Bij onze eerste ontmoeting in zijn sober ingerichte rijtjeshuis in Utrecht ziet hij er ook stralend uit. Gebruind gezicht, elegant gekleed, met glimmende lakschoenen. De tweede keer, midden in de coronacrisis, spreken we elkaar via Skype. Dat is toch iets veiliger. „Want ik wil straks wel graag kerngezond de kist in.”

Er is, zegt hij, een last van hem afgevallen. „Het kunstenaarschap is leuk en aardig, maar er zitten grote nadelen aan. De druk om elk jaar een nieuw programma te maken is enorm. Daar ben ik nu vanaf.”

Het klinkt alsof je opgelucht bent.

„Dat is exact het juiste woord. Het maken van kunst is heel leuk, maar ook loodzwaar. Zeker als je ervan moet zien te leven.”

Sinds hij via Facebook bekendmaakte dat hij ongeneeslijk ziek is, wordt hij overstelpt met aardige reacties. Tot zijn grote verrassing. „Ik heb nooit gedacht dat mijn werk ook maar enige impact zou kunnen hebben. Maar mensen blijken nu de behoefte te voelen om mij te vertellen wat die liedjes voor hen betekend hebben. Hoeveel plezier ze eraan beleefd hebben. Dat is fantastisch om mee te maken. Ik weet dat ik in een kleine kring van collega’s gewaardeerd word. Maar ik heb altijd gedacht dat ik vooral een schrijvers-schrijver was, voor een paar liefhebbers. Dat blijken er veel meer te zijn.”

Lees ook de column van Frits Abrahams, waarin hij Van Merwijk „een van onze beste tekstdichters” noemt

Draagt dat bij aan die opluchting?

„Nou en of. Het heeft me heel veel goed gedaan.”

Terwijl je in 2013 besloot om te stoppen met optreden omdat er nauwelijks nog publiek kwam.

„Dat was ook heel ongemakkelijk. Stond ik in Stadskanaal te spelen voor dertig man. Dat is zwaar. Hoe groter de zaal, hoe makkelijker het gaat. De goede schouwburgdirecteuren kijken niet naar aantallen, maar naar kwaliteit. Maar veel anderen boeken je gewoon niet meer. Al heb ik wel vaak heel leuke avonden gehad met dertig man. Een van mijn liedjes heet niet voor niets Ik ga ondergronds. En mijn vrouw zei gisteren nog: ‘Dat was best profetisch, Jeroen.’ Gelijk heeft ze. Want binnenkort ga ik echt ondergronds.” Schaterend: „Toch best leuk gezegd van haar.”

In retrospectief is het opvallend hoeveel hij de afgelopen decennia over de dood heeft geschreven. Al vindt hij dat zelf niet meer dan logisch. „De dood is intrigerend, en iets waar je als mens bang voor bent. Een van mijn allereerste liedjes heette Hoe zal ik doodgaan? Dat is een cruciale vraag. Hoe zal ik reageren als ik dat fatale bericht krijg? Dat bericht heb ik nu gekregen. En ik bleek de sereniteit te hebben waarop ik hoopte. Ik stelde mezelf niet teleur. Al heb je daar niets over te vertellen. Je kunt nog zo beredeneerd in elkaar zitten: de lakmoesproef is het moment waarop je het hoort.”

Van Merwijk is behalve cabaretier ook beeldend kunstenaar, in 1983 cum laude afgestudeerd aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag. Hij tekent en schildert. Aan de muur van de huiskamer hangt een metersbreed drieluik, waarop minutieus met inkt gearceerde tekstflarden van Lodewijk van Deyssel ragfijn samenvloeien tot betoverende zwart-witfiguren. Het zou eigenlijk in het Rijksmuseum horen, vindt de maker. Maar wegens gebrek aan belangstelling hangt het vooralsnog maar hier. Zijn beeldende oeuvre heeft hij altijd belangrijker gevonden dan zijn cabaretbestaan. „Maar ja, van dat cabaret leef ik.”

Liedteksten schrijft hij op dit moment niet. Maar hij tekent elke dag, in het massieve boek dat op tafel ligt. Of hij nu ook andere dingen tekent dan vroeger? „Niet dat ik weet. Ik heb vanaf het moment dat ik het hoorde – in de derde week van januari – zo’n 75 tekeningen gemaakt. Ik weet niet wat die over mijn huidige situatie zeggen. Misschien dat iemand die dingen later nog ’ns gaat bekijken en ze dan kan duiden. ‘Krabbé op zoek naar Van Merwijk’. Zie je het voor je?”

Je zegt dat dat doodvonnis je met opluchting vervulde. Dat klinkt alsof je niet met veel plezier geleefd hebt.

„Ik heb het leven niet makkelijk gevonden. Mijn plezier heeft altijd vooral gelegen in het maken van dingen, in het sublimeren van mezelf. Ik heb van nature een laag zelfbeeld. Dat is echt een groot talent van mij. Ik heb vroeger heel erg gestotterd, had eczeemplekken in mijn gezicht. Ik kon gelukkig wel goed voetballen. Dat heeft me gered. Maar ik heb het bestaan nooit eenvoudig gevonden. Ik ontleende mijn geluk en mijn plezier vooral aan wat ik maakte. Dat is het mooie van kunst; via kunst kun je je beter voordoen dan je bent. Picasso was een onwaarschijnlijk grote lul, maar wel een van de grootste kunstenaars die ooit heeft geleefd. Door kunst maak je jezelf mooier dan je bent. Zo kun je alsnog van jezelf leren houden.”

Hij kan dan luchtig doen over zijn naderende dood, voor zijn familie en zijn vrouw is het anders. Dat begrijpt hij maar al te goed, zegt hij ernstig. „Ik piep er straks tussenuit, heb er van iedereen het minste last van. Voor mijn vrouw is dat een ander verhaal. Jeannette is pas 51. Die moet nog een heel leven door zonder mij. Wij hebben samen zo’n hechte band. Als zij dood zou gaan, zou ik dat onverdraaglijk vinden.”

Zijn moeder leeft ook nog steeds. Hij logeerde toevallig bij haar, vanwege een verbouwing, toen hij het nieuws kreeg. „Mijn moeder is een geweldig sterke vrouw. Ik heb haar zelden zien breken. Maar ze brak wel toen ik haar vertelde dat haar zoon waarschijnlijk eerder zal sterven dan zij.”

Voor zijn drie broers en zijn zus was het ook een immense schok. Toen hij zijn tweelingbroer Vincent vertelde wat er aan de hand is, konden ze het allebei niet drooghouden. „Vincent is altijd zeer well composed. Maar nu kwamen de tranen. En toen hield ik het ook niet meer.” Terwijl hij erover vertelt, raakt het hem opnieuw. „Ik heb geen verdriet om mezelf, om mijn eigen lot. Ik ben alleen droevig omdat ik zie dat het anderen verdrietig maakt.”

Zijn tweelingbroer wilde hem graag vertellen wat hij straks in de aula over hem gaat zeggen. Maar dat wilde hij liever niet horen. „Dat leek me geen goed idee. Of hij zegt dingen die me zo ontroeren dat ik er helemaal door van slag raak, of hij zegt dingen waar ik het niet mee eens ben, en misschien wel kwaad om word.” Ze moesten er wel allebei even intens om huilen. „Ik beschouw mezelf als een geluksvogel dat ik eerder doodga dan hij. Dat ik nooit aan zijn graf hoef te staan. Ik zou dat niet aankunnen. Een tweeling zijn is iets heel ingewikkelds. Je bent met z’n tweeën één persoon. Van geen mens op de wereld hou ik zoveel als van hem. En toch verschillen we behoorlijk. Hij heeft heel lang moeite met mij gehad. Ook omdat je je als tweeling eenzijdig ontwikkelt. Je hebt per definitie een praktische rolverdeling: de ene broer gaat erop af, de ander volgt. Dat leidt soms tot wrevel.”

Hij schreef er ooit een liedtekst over, Twee Linden.

Er staan twee linden voor het huis

De ene groot en groen en stoer

De ander bleek en vol met luis

Ze zijn elkanders broer

Ze zijn uit hetzelfde zaad geplant

Op hetzelfde moment

In dezelfde lucht, hetzelfde land

Op hetzelfde fundament

Ze lijken dan wel op elkaar

Maar zijn als dag en nacht

Het is een merkwaardig bomenpaar

De ene huilt terwijl de ander lacht

Vincent gaat met hem mee naar het ziekenhuis, voor zijn chemo. Dat zijn heel intieme momenten. Terwijl ze dan amper gesprekken voeren. „Als ik daar aan dat infuus lig en hij zit naast mijn bed, dan hoef je helemaal geen gesprek meer te hebben. Dan ben je zo dicht bij elkaar. Dan zijn we weer helemaal de tweeling van vroeger. Net zo samen als in de baarmoeder.” Het ontroert hem, kort maar duidelijk merkbaar. „Als Vincent daar zou liggen… echt, man, m’n hart zou breken.”

Hij was een jaar of zestien toen de dood voor de eerste keer voorbijkwam: een dochter van vrienden van zijn ouders pleegde zelfmoord. Dat maakte diepe indruk. Daarna volgden andere doden. Zijn vader, die overleed door een bacteriële vergiftiging na een hartoperatie. Hij is al 25 jaar dood, maar hij reist nog altijd met hem mee. Net als al zijn doden eigenlijk. Bert Klunder, Maarten van Roozendaal, zijn schilderleraar Hans van der Lek, zijn ooms, hij denkt nog vaak aan ze. „Alles wat je doet, bekijk je nog steeds een beetje door hun ogen. Als ik aan het schilderen ben hóór ik mijn schilderleraar: ‘Let op je kleur, gozertje. Let op je kleur!’ Ze leven voort in mij. Dat realiseer ik me heel goed: als ik straks doodga, gaan zij opnieuw een beetje dood met mij. Er sterft een heel universum met je mee.”

Toekomst

Van Merwijk wil nog een boek maken: Kanker voor beginners. En komend najaar hoopt hij nog een tournee te maken. Hij heeft net een afspraak met een gitarist gemaakt, omdat zijn eigen handen niet meer zo goed willen. „Dat had ik al voordat ik ziek werd.” Het wordt zeker geen afscheidsprogramma. Hij wil vooral nog een paar leuke grappen kunnen maken. „Een bevriende galeriehouder uit Utrecht zei tegen mij: ‘Weet je wat jij moet doen, Jeroen? Je moeten gewoon vazen gaan beschilderen.’ Vazen? ‘Ja, vazen!’ ‘Goed idee’, zei ik. ‘Dan noemen we het ‘Terminale vazen’.’”

Lees ook een NRC-interview met Van Merwijk van afgelopen zomer: ‘Talent moet je elke dag water geven, als een plantje’

Verder dan een jaar kijkt hij niet vooruit. Als hij aan de toekomst denkt, denkt hij vooral aan de toekomst van anderen. Daarom maakt hij die tekeningen nu ook. „Ik hoop dat Jeannette ze later kan verkopen.” Verder staat hij niet wezenlijk anders in het leven dan vroeger. „Als ik wandel, denk ik niet: misschien is dit wel mijn laatste wandeling. De dood hoort bij het leven. Ik zou het enorm kinderachtig van mezelf vinden als ik zou zeggen: o, ik vind het zo erg dat ik doodga. Ik heb een leven gehad waar niks op aan te merken was. Geboren in een land waar alles was. Nooit een oorlog meegemaakt. De luxe gehad om 25 jaar onderwijs te genieten. Alles gekregen wat mijn hartje begeerde. Dan kan ik toch moeilijk gaan lopen klagen? Mensen hebben van mij gehouden, ik heb leuke vrouwen gekend. Ik heb zoveel meegekregen in mijn leven. Dat moet ook, anders kun je niks geven. Dat merk je nu in die coronacrisis; al die sukkels die in hun leven alleen maar hebben genomen – bankiers, effectenmakelaars – weten zich geen raad. Die levens zijn in één keer helemaal niks meer waard. Maar de mensen in de zorg en het onderwijs kunnen door blijven gaan. Dat zijn de gevers. Daar gaat het om in het leven.”

Hij zou het mooi vinden als ze later over hem zouden zeggen: ‘Hij was een steengoede liedjesschrijver. En een prachtige schilder.’ Want dat wilde hij vroeger zo graag: gezien worden. En dat is gelukt. „Ik heb zeven boeken geschreven, theaterprogramma’s gemaakt, liedteksten, tekeningen en schilderijen. Het is, om met Reve te spreken, gezíén. Het is niet onopgemerkt gebleven. Dat geeft me rust. Ze kunnen later over mij zeggen: hij heeft meegedaan. Jeroen van Merwijk is er gewéést.”