‘Ik leek op iedereen, maar toch ook niet’

Dit ben ik Iedereen heeft verschillende identiteiten. Hoe worden we wie we zijn? Deze week: Sandrine Veening (29) uit Utrecht.

Foto Aziz Kawak
Foto Aziz Kawak

Ik ben eigenlijk altijd wel vrolijk. Ik praat veel, kan echt ratelen, vooral als ik iets heel leuk vind. Als ik dat doe, ga ik ook hard praten. Ik ben dol op mijn werk, waarin ik me bezighoud met vrouwen- en LHBTI-emancipatie: hoe je geweld op straat tegen vrouwen kunt tegengaan, en stereotypering in het onderwijs; hoe je LHBTI in religieuze kringen bespreekbaar kunt maken.

Ik ben geboren op Haïti en opgegroeid in Hasselt, Overijssel, met vijf broers en zussen. Drie zijn net als ik geadopteerd, twee zijn pleegkinderen. Eén zus is wit, de rest is bruin. Hasselt is een schattig dorp. Het is heel gebruikelijk om elkaar te groeten – een van de eerste dingen waar ik mee gestopt ben toen ik ging studeren in Utrecht. We gingen naar de kerk, zaten op een christelijke school, best een veilige omgeving. Een jongetje dat iedereen pestte zei een keer: ‘Jij bent lelijk want je bent zwart’. Mijn moeder zorgde altijd voor weerwoord; ik zei: ‘Nee hoor, ik ben hartstikke mooi’. Dat gaf me rust.

„In de zomer van 2012 – ik studeerde pedagogische wetenschappen – ben ik drie weken op een werkvakantie naar Haïti geweest. Ik was nieuwsgierig naar het land. Op tv zag ik alleen de armoede, terwijl ik van mijn moeder wist dat het er heel mooi is. Mijn moeder ging mee op die reis, en een vriendin zat in dezelfde groep.

‘Het was cool om al die vrouwen te zien die mijn figuur hebben, mijn lach, die net als ik hard praten. Wel merkte ik dat ik een toeschouwer was, ik voelde me een toerist. Ik dacht: ik wil meer voelen hoe het is om hier te leven. Niet veel later ben ik alleen teruggegaan en heb ik een half jaar in het kinderdorp gewoond van waaruit ik geadopteerd ben. Dat dorp, twaalf kleine huisjes met elk zo’n tien kinderen die opgroeien zonder ouders, is opgezet door een Nederlandse christelijke organisatie. Adoptie was niet gebruikelijk, dat gebeurde alleen als het dorp te vol was. Ik was anderhalf jaar. Van mijn biologische ouders heb ik geen gegevens.

„De eerste weken dat ik er was, vond ik verschrikkelijk. Ik leek op iedereen, maar toch ook niet. Haïtianen noemden me allemaal blanc. Ik merkte dat ik erg verkaasd ben. Altijd op tijd zijn, altijd willen weten waar ik aan toe ben – op Haïti weet je dat vaak gewoon niet. Vanuit Nederland zei iedereen juist: wat mooi, je gaat thuiskomen. Ik dacht: ik moet me herkennen in iedereen, dat doe ik niet, er is iets mis met me.

„Pas toen ik accepteerde dat het echt niet leuk was, werd het beter en uiteindelijk ging ik het prettig vinden om er te zijn. Op het dorp werkte een vrouw die zich mij en mijn adoptie goed kon herinneren. Ik trok altijd naar haar huis, huisje acht. Hele avonden heb ik op het stoepje van dat huisje met haar gekletst. Ik leerde ook een jongen en een meisje kennen. Hij was net zo oud als ik, zij jonger. Zij wist niet wie haar biologische ouders waren, hij wel maar die konden niet voor hem zorgen. Ik sprak Engels tegen hen, zij Frans en Creools tegen mij zodat ik dat een beetje leerde.

Een collega zei een keer: je staat op de schouders van je voorouders, als vrouw van kleur in een witte samenleving. Zo’n mooie gedachte: dat er een hele community achter me staat – onzichtbaar.

‘Kort voor mijn terugkeer naar Nederland zat ik een keer met de jongen op de schommel. Ik vroeg hoe hij het vond dat ik er was. Hij zei: ‘Heel leuk. Het is grappig, je bent echt bruin van buiten en wit van binnen.’ Dat te horen was een soort bevrijding. Het gaf een naam aan hoe ik me voel. Dat is hoe het is, en het is oké.

„Na de reis ben ik opnieuw gaan nadenken over de richting waarin ik wilde afstuderen. Ik koos voor de specialisatie internationale pedagogische vraagstukken, dat gaat over kinderrechten en culturele sensitiviteit in de opvoeding. Voor mijn masterstage en scriptie ben ik naar Zuid-Afrika geweest, bij weeskinderen in Soweto.

„Op Haïti was mijn leven ook goed geweest, alleen anders. Ik had dan niet een toffe baan op een ministerie gehad, een coole vriend, een huis in het centrum van Utrecht. Een collega zei een keer: je staat op de schouders van je voorouders, als vrouw van kleur in een witte samenleving. Zo’n mooie gedachte: dat er een hele community achter me staat – onzichtbaar.

„Het maakt dat ik me verantwoordelijk voel om het goed te doen in mijn leven. Mensenrechten zijn de rode draad in mijn studie en werk. En het recht om te zijn wie je bent, ongeacht wie je bent. Daar geloof ik heel sterk in.”

Aanmeldingen voor deze rubriek: ditbenik@nrc.nl