Houd afstand! Anderhalve meter komt niet uit de lucht vallen

Wekelijks stuit Karel Knip in de alledaagse werkelijkheid op raadsels en onbegrijpelijke verschijnselen.

Deze week: dienstplichtigen wisten het al: afstand houden heeft nut.

Moderne slaapzaal op een kazerne, met tweedeurskast tussen de bedden.
Moderne slaapzaal op een kazerne, met tweedeurskast tussen de bedden. Foto ministerie van Defensie

De trotse democratische Hollander moet op anderhalve meter afstand van andere trotse Hollanders blijven om te voorkomen dat-ie een ziekte van ze krijgt. Dat is de toestand van vandaag. Anderhalve meter. De Hollander doet het graag want hij heeft de pest aan ziek zijn. Maar wat is anderhalve meter? Daar héb je hem: dat weet-ie niet. Dat hebben ze hem bij de lessen staatsinrichting nooit verteld.

De chef-AW schat dat de meeste Hollanders de afstand tot de medemens niet verder laten oplopen dan tot 75 cm: één armlengte. De minister-president heeft twee armlengtes voorgeschreven, maar de trotse Hollander gaat niet graag door voor kil.

Ja, hier en daar nemen mensen een touwtje of een stok mee om zeker te zijn van de juiste afstand, dat is waar. Bij een afstand van 150 cm kan het coronavirus net niet meer op mij springen, hebben zij begrepen, bij 145 cm nog wel. De minister-president moet tezijnertijd misschien nog eens uitleggen waar die 1,5 meter vandaan komt. Dat het een minimum-afstand is.

Volwassen niezers en hoesters

Daarbij kan hij zich trouwens in de vingers snijden want de WHO schrijft een afstand van maar 1 meter voor, in sommige teksten zelfs maar 3 voet (90 cm), terwijl de Amerikaanse gezondheidsdienst CDC een afstand van 6 voet aanhoudt: 180 cm – vaak afgerond tot 2 meter. Landen genoeg waar het voorschrift luidt: minstens 2 meter.

Waar komen die maten vandaan? Ze zijn gebaseerd op de afstanden die de druppeltjes afleggen die volwassen niezers en hoesters uitstoten, lees je steeds. En je neemt automatisch aan dat dat wel secuur onderzocht zal zijn.

Misschien is dat helemaal niet zo, ’t zou ook best kunnen dat hier sprake is van historische empirie. Oud-dienstplichtigen herinneren zich een voorschrift dat veel lijkt op de richtlijn die vandaag cruciaal is. Tussen de hoofdeinden van de bedden op de slaapzalen van kazernes en legerplaatsen moest altijd minstens één stalen kast staan. Liefst twee. Alleen zó, werd destijds beweerd, bleef je gevrijwaard van uitbraken van nekkramp.

Een gevaarlijke aandoening

Nekkramp (meningitis) is een gevaarlijke aandoening die meestal wordt overgebracht door bacteriën van het geslacht Neisseria (meningokokken). De overdracht gaat van mens-op-mens inclusief het hoesten en niezen, zoals bij het corona-virus. Toen Britse militairen tijdens de eerste wereldoorlog in steeds vollere barakken werden gelegerd deden zich geregeld uitbraken van meningitis voor. Militair arts kapitein J.A. Glover ontdekte een relatie tussen de besmettingsgraad in zo’n barak en de afstand tussen de bedden. Hoe dichter die bedden bij elkaar stonden hoe meer patiënten hij zag. Toen de bedden weer drie voet (90 cm) uit elkaar werden gezet, zoals vóór de oorlog voorschrift was, verdwenen de uitbraken. Glovers publicatie in de British Medical Journal (1918) over ‘spacing out’ als wapen tegen epidemieën is een klassieker. Tot op de dag van vandaag zijn de ‘3 feet’ in meningitis-kringen een begrip. De kast waarin de Nederlandse dienstplichtige zijn uitrusting bewaarde was zo’n 80 cm breed. Vandaar dat de geneeskundige dienst er liever twee tussen de bedden had.

Het is een geruststelling te weten dat ‘spacing out’ echt werkt, de ondervinding heeft het aangetoond. Maar het valt niet mee het principe een fysische onderbouwing te geven. Voorkomt een afstand van 1,5 of 2 meter echt dat hoest- of niesdruppeltjes van een coronadrager je bereiken? De onderzoeksresultaten die ter beschikking staan wijzen er niet op.

Sinds de SARS-epidemie van 2003 is in China en Taiwan veel onderzoek gedaan naar de samenstelling van de – grotendeels onzichtbare – druppeltjeswolk die bij niezen, hoesten en ook gewoon spreken wordt uitgestoten. Bij het niezen worden, zoals bekend, ook heel grote druppels uit de neus geslingerd. Chinese onderzoekers vonden diameters van tientallen tot honderden micrometer (een micrometer is 0,001 mm). Druppels van dit formaat laten op geschikte ondergronden zichtbare spetters achter. In stilstaande lucht bereiken de grootste onder hen terminale valsnelheden van tientallen centimeters per seconde. De kans dat ze de 1,5 à 2 meter overbruggen is niet groot.

Langzamer dan mistdruppels

Maar de onzichtbare druppeltjes die bij hoesten en spreken worden verspreid zijn veel kleiner, ze hebben diameters die onder de 10 micrometer liggen, en vaak zelfs overwegend onder de 5 micrometer. Dit soort druppels heeft eind-valsnelheden die belangrijk lager zijn dan 1 centimeter per seconde. Ze zakken langzamer dan mistdruppels zakken en veel mensen zouden durven zweren dat mistdruppels helemaal niet zakken.

Stellen we ons twee trotse Nederlanders voor die op voorgeschreven afstand naast elkaar lopen, zijdelings aangeblazen door een kalm windje van 1,5 meter per seconde, dan zijn de hoest- of spreekdruppels van de persoon aan loefzijde nog geen centimeter gezakt als ze bij de benedenwindse democraat arriveren. De fysica, die hier vooral steunt op de vergelijking van Stokes, staat geen andere conclusie toe.

Hoe kan dan die anderhalve meter bescherming bieden? Het antwoord komt van Chinees onderzoek dat expliciet door de WHO wordt geciteerd: de kleinste druppeltjes, met diameters minder dan 5 micrometer, zijn niet infectueus gebleken. Druppeltjes van dit formaat verdampen snel, worden dan kleiner, drogen zelfs op en gaan zweven. Het virus heet dan ‘airborne’. In China is nooit airborne corona-overdracht geconstateerd. De WHO zei niet waarom niet.