Opinie

Dichteres Friedman

Frits Abrahams

Carl Friedman, donderdag begraven op Zorgvlied, schreef niet alleen proza, maar ook poëzie. In een interview in 1992 voor NRC Handelsblad vertelde ze me dat ze met die gedichten had willen debuteren bij uitgeverij Van Oorschot, maar dat de leiding – Wouter van Oorschot en Gemma Nefkens – liever proza van haar publiceerde.

Dat is goed uitgepakt. De korte romans Tralievader en Twee koffers vol werden een groot succes. Haar gedichten raakten helaas vergeten. Totdat kort voor haar dood Gedichten verscheen, vier bundeltjes in een cassette. Een fraaie uitgave die ze ontroerd in ontvangst nam. Een aantal gedichten kende ik, ze had me die in de loop van de jaren opgestuurd. Maar sommige gedichten waren nieuw voor mij – en bleken uitstekend.

Enkele jaren geleden had ze Jaap Blansjaar, een medewerker van Van Oorschot, een aantal gedichten gegeven. Via hem kwamen ze bij Nop Maas, de Reve-biograaf, die ze in beperkte oplage liet drukken in zijn kleine drukkerij. (Ze zijn te bestellen via www.hofvanjan.nl). De gedichten hebben voor een deel dezelfde thematiek als haar proza. De nadruk ligt dan op de vaderfiguur die getraumatiseerd is door een verblijf in een Duits concentratiekamp.

Kenmerkend is het gedicht ‘Wraak’. Dit is waar je vernedering begon./ De inderhaast ontgrendelde wagon./ „Raus, raus, mach schnell!” Het stompen en het schelden./ Jouw val, voorover, op het laadperron,/ die amper anderhalve meter telde/ maar een veel diepere in het vooruitzicht stelde,/ zou ik tot in oneindigheid vergelden,/ als dat jou troosten of mij lukken kon.

Het verdriet over haar vader veroorzaakte bij haar een soort over-identificatie, een obsessie die haar bracht tot een ongefundeerde suggestie van een Joodse afkomst. Het beschadigde haar reputatie, maar doet niets af aan de kwaliteit van haar werk. Zie het gedicht ‘New York’ dat over haar mislukkende huwelijk met de Amerikaan David Friedman gaat.

Er kwam weinig wind van de zee.

Wij stonden rechtop aan het water,

jij in de jas van je vader,

ik zwanger en mager ernaast,

een beeld dat ik nog van verre

herken, maar niet meer kan verklaren.

Wel weet ik de straten erheen,

de stoepen, de smalle portalen,

een kind met een bal en een pet

alleen op een plein tussen hekken,

een man die gehurkt zat te slapen

bij een hond en een thermosfles.

Maar wij, hoe uit zo vele mensen

op aarde juist jij en ik samen,

waartoe wij daar waren, getwee,

waarschijnlijk van ergens een tafel

die wij deelden, uit blijkbaar een bed

opgestaan en gegaan naar de kade,

het is een verhaal zonder tekst,

waarin de geringste gebaren

iets ontkennen dan wel beamen,

een toestand die ik moet raden:

had ik je lief, geen idee.

Er was weinig wind en veel water.