Kinderdichter Bette Westera: Weerbaarheid is kunnen omgaan met dingen die niet zo gemakkelijk zijn. Dan is er ook ruimte voor een vrolijk, relativerend gedichtje over een scheiding

Dichteres Bette Westera geeft kinderen taal voor bij de scheiding

Interview Kinderdichter Bette Westera behandelt ernstige onderwerpen als rouw en echtscheiding op opgeruimde toon. „Mijn vader is een lieverd,/ mijn moeder is een schat,/ maar dat mijn vader ooit iets/ met mijn moeder heeft gehad,/ dat kan ik niet begrijpen.”

Bette Westera is vóór echtscheidingen. Niet per se voor allemaal, maar voor haar eigen echtscheiding bijvoorbeeld wel. Het waren de jaren negentig, ze hadden drie leuke kinderen, woonden in een franciscaanse leefgemeenschap en haar man, inmiddels ex-man dus, wilde de dingen anders dan zij. Hij conformeerde zich vol overtuiging aan het dagritme van de gemeenschap, zij vond dat dat eigenlijk niet ging. „Mediteren met kleine kinderen om half acht ’s ochtends was niet realistisch. Die moesten dan gewoon naar school. En ’s avonds om half tien nog eens mediteren. Net op een moment dat ik graag op de bank een boek wilde lezen.”

Het kwam erop neer dat hun karakters toch te ver uiteenliepen. „Ik was op hem gevallen omdat hij heel principieel was, iemand die zei: zo zit het, zo moet het. Ik kwam uit zó’n liberaal gezin dat ik dat wel lekker vond. Maar uiteindelijk paste het toch niet bij mij, véél te dogmatisch. Je zoekt in een ander wat je bij jezelf mist, denk ik, maar dit was te veel van het goede.”

Maar de scheiding is „goed gelukt”, zegt ze. Het gedicht dat op de achterkant van Westera’s nieuwste kinderdichtbundel Uit elkaar staat, is dus autobiografisch. Haar kinderen hadden het kunnen zeggen. „Mijn vader is een lieverd,/ mijn moeder is een schat,/ maar dat mijn vader ooit iets/ met mijn moeder heeft gehad,/ dat kan ik niet begrijpen,/ daar kan ik echt niet bij./ Ze hebben niets, maar dan ook/ niets gemeen behalve mij.”

Een ernstig onderwerp op opgeruimde toon: dat is kenmerkend voor Bette Westera (1958), een van de toonaangevende Nederlandse kinderdichters van dit moment. Al ruim twintig jaar is ze als schrijver actief, en haar naam werd definitief gevestigd met Doodgewoon, waarvoor ze in 2015 de grootste kinderboekenprijzen ontving: de Gouden Griffel en de Woutertje Pieterse Prijs. Met Uit elkaar is ze voor die laatste prijs weer genomineerd, samen met illustrator Sylvia Weve. Volgende week zaterdag wordt bekend welk van de zes genomineerden onderscheiden wordt met de prijs van 15.000 euro.

In Doodgewoon schreef ze in 46 gedichten over de dood – en om de dood heen, van sterven tot rouwproces en van zelfmoord tot hiernamaals. Ze deed dat zó dat de gedichten het gesprek met kinderen moesten openen: luchtig waar dat kon, zwaar als het moest. Zo’n boek werd Uit elkaar ook. In 44 gedichten komen vele kanten van de liefdeslevens van volwassenen langs, van pril romantisch verlangen tot een ‘nieuwe’ opa of oma, van schuldgevoel tot stomme stiefvaders, stoere halfbroers en dubbele vakanties („Beste onderwijsminister,/ wij verzoeken u beleefd/ om een maandje meer vakantie/ voor wie twee paar ouders heeft”).

Lees ook de recensie van Uit elkaar: Papa’s naam op de kalender doorgekrast

Was dat een diepgevoelde noodzaak, een boek over echtscheiding voor kinderen?

„Nou, zo is het niet gegaan. Het was een idee van een vriendin van Sylvia die voor de klas staat – we waren bezig met ‘foute’ helden, figuren als Jan Pieterszoon Coen, maar dat haperde, we vonden er geen goede vorm voor. ‘Laat dat nou zitten, doe wat met echtscheiding, daar is veel meer behoefte aan’, zei die vriendin, en daar had ze wel gelijk in.”

Waarom sloeg dat meteen aan bij jullie?

„Ja, goeie vraag. Het is niet zo dat ik echt iets móét met een onderwerp. Eerder dat iemand anders het voorstelt en ik denk: ja, goed idee, waarom was ik daar zelf niet opgekomen? Je krijgt als kind onherroepelijk met scheiding te maken – als het niet je eigen ouders zijn, dan wel die van een klasgenootje.”

Nederland kent een echtscheidingspercentage van iets minder dan 40 procent: dat komt neer op jaarlijks zo’n 30.000 scheidingen, volgens het CBS. In meer dan de helft van de gevallen zijn er minderjarige kinderen bij betrokken. Kinderen die te maken krijgen met beëindigde partnerschappen, die het CBS niet bijhoudt, komen daar nog bij.

„Het onderwerp leende zich natuurlijk goed voor zo’n aanpak als bij Doodgewoon. Je kunt het op veel manieren belichten. Het heeft tragische, venijnige, moeilijke kanten, maar je kunt er ook de luchtigheid in brengen. Zonder dat je de zwaarte ontkent.”

Dat doet ze bijvoorbeeld in ‘Nog altijd bij elkaar’, een gedicht over wel érg gelukkige ouders: „Irene is bij haar op school heel anders dan de rest./ De meeste ouders zijn allang gescheiden,/ de hare niet. Daar wordt ze op het schoolplein mee gepest. Ze hoort er niet echt bij op school, dat voelt Irene best./ Ze is te anders dan de andere meiden./ Ze haalde laatst voor rekenen drie vijven en een twee./ Toen ging de meester met haar ouders praten./ Hij opperde: ‘Misschien is uit elkaar gaan een idee?’”

„Wat ik graag doe is kinderen iets aanreiken waarmee ze hun eigen oordeel kunnen vormen. Ik kom weleens op pabo’s en daar willen ze dan weten wat voor ‘boodschap’ ik heb. Dan heb ik de neiging om te zeggen dat ik die niet heb, maar ja, ik wíl natuurlijk wel iets, ik doe iets omdat dat bij mij past. En dat is niet antwoorden geven, maar vragen aanreiken.”

Lees ook de recensie van de bundel Was de aarde vroeger plat?: Versjes die om de vraag heen dartelen

Bette Westera zette haar eerste schreden als kinderboekenschrijver toen ze net afgestudeerd was en samen met haar moeder, die predikant was, een nieuwe kinderbijbel schreef. Ze had eerst de pedagogische academie gedaan, om leerkracht te worden, maar dat werk lag haar niet: „Voor de klas had ik geen natuurlijk gezag, waardoor al mijn energie ging zitten in orde houden.” De inhoud lag haar wél. „Reflecteren op hoe je kinderen motiveert, op wat je hen eigenlijk wilt leren, en waaróm je de dingen doet zoals je ze doet.”

Ze ging na de pabo nog psychologie studeren – niet om klinisch psycholoog te worden, maar het theoretische trok haar. „We leerden na te denken over maatschappelijke ontwikkelingen in relatie tot psychologische stromingen. Dus: hoe kun je maatschappelijk verklaren dat Freud zo in zwang is geraakt? Was hij ook groot geworden als hij vijftig jaar eerder had geleefd? En kijken psychologen anders naar filosofen als Schleiermacher en Gadamer dan theologen?”

Ze deed een bijvak bij de theologische faculteit en ging lesmateriaal maken voor het vak levensbeschouwelijke vorming. In de avonduren werkte ze aan het kinderbijbel-project. Daarin kwamen haar interesses samen, net als haar handigheid met taal. Het werk aan die kinderbijbel was dan ook vooral „leuk om te doen”, zegt Westera, ze was niet zozeer bezig kinderen iets te leren. Haar moeder was predikant in Katwijk, waar men „zwaar op de hand” was, maar ook een groep jonge mensen voor „lichter en luchtiger” opteerden.

Is dat ook hoe u religieus bent opgevoed, licht en luchtig?

„We waren thuis vrijzinnig protestants, inderdaad, dus ruimdenkend en liberaal. Ik weet nog dat ik elf of twaalf was en dacht: stel nou dat ik in Turkije was geboren, dan had ik in een heel andere God geloofd. En dan was dát de echte God geweest. Er waren wel religieuze opvattingen in het gezin en die kreeg ik ook mee, maar die werden niet zo streng opgelegd dat het mijn denken belemmerde. Die vrijheid had ik wel.”

Kwam dat uit uzelf, of werd u daartoe aangemoedigd?

„Ik werd grootgebracht in de tijd van de ontmythologisering van al die verhalen: je hoefde niet meer letterlijk in wonderen te geloven, bijvoorbeeld. Het ging om de betekenis, niet om de letter. Dat maakte het voor mij makkelijk. Het waren verhalen, mooie verhalen, en zo heb ik geleerd verhalen te waarderen, denk ik. En ook om die verhalen te zien als mythes, zoals je heel veel mythologische verhalen hebt, en ze zo te waarderen.”

Zoals daar ook is: de mythe van het huwelijk tot de dood ons scheidt?

„Ik weet wel dat ik al vrij jong wóú dat ik in dat romantische huwelijk geloofde. Zo’n bruidsjurk met ruches, de mooiste dag van je leven... Ik kon me voorstellen dat het heerlijk was om daarin te geloven, terwijl ik het flauwekul vond. Net als dat ik dacht: wat heerlijk moet het zijn om vol overtuiging te kunnen geloven dat je later naar de hemel gaat.”

En toch trouwden jullie. Waarom dan?

„Ja, daar moesten we ons destijds ook over verantwoorden bij de mensen om me heen – jaren tachtig, Leiden, enigszins links-geëngageerd. Trouwen, hoezó dan? Maar het was voor ons gewoon een pragmatische keuze om de dingen goed te regelen. En het was feestelijk en onze intentie was oprecht, maar ik kreeg het toch niet voor elkaar om in de romantiek en de onverbrekelijkheid ervan te geloven.”

Westera ziet graag verschillende kanten tegelijk, dat zit ook in Uit elkaar. Het ene gedicht is kritisch, want tragisch: over een vader die steeds nieuwe partners heeft, en zijn zoon die zo graag eens ‘mama’ zou willen zeggen. Het andere biedt juist mondig antwoord op de aannames over een scheiding: „Is je vader weggelopen?/ Wat een vreselijke vent!/ Valt ontzettend mee, ik vind/ dat u veel vreselijker bent”. Er zitten ook gedichten in over de ‘huwelijkse’ trouw van dieren. Over zwanen – volgens de mare monogaam. Maar niet heus: de ene zwaan is met een ander „in het hoge riet verdwenen”, de andere zwaan broedt ineens het kuiken van een ander uit. „Echt waar!” staat in de kantlijn: dit is geen fictie. Trouw, monogamie, is niet per se ‘natuurlijk’, wil Westera maar zeggen.

„Het is bedoeld als hart onder de riem van die kinderen, maar ook van ouders. Zoals ik met Doodgewoon al niet wilde zeggen wat dé goede manier om te rouwen is, ken ik ook niet de beste manier van omgaan met je vader en moeder die uit elkaar zijn. Alle opties staan in de bundel, dus kijk maar wat bij jou past.”

Het gedicht dat begint met: ‘Zou het anders zijn gegaan/ als hij liever had gedaan?’ en dat heel duidelijk ‘Onzin’ heet, neemt wel duidelijk stelling, toch?

„Ja, dat is waar. Wat ik belangrijk vind, en dat was al zo toen ik zelf ging scheiden: je moet koste wat kost zorgen dat je kinderen zo weinig mogelijk last hebben van een scheiding, hoeveel je ook nog uit te vechten hebt. We moesten samen naar ouderavonden kunnen, vond ik. Dat heeft moeite gekost, daar hebben we begeleiding bij gevraagd, maar dat is wel gelukt. Ik heb nog contact met mijn ex-schoonmama, ik stuurde haar de bundel en ze schreef me dat ze zo blij was dat we op het huwelijk van mijn oudste dochter haar nog gezamenlijk konden toezingen. In een kwartetje: mijn ex en ik met onze nieuwe partners.”

U wilt kinderen zelf laten oordelen, hoor ik u zeggen. Nemen we kinderen serieus genoeg?

„Misschien niet. Ik moet meteen denken aan de heersende opvatting dat alles wat kinderen doen mooi en leuk en goed is, ‘applaus voor jezelf’, terwijl ik denk: ze moeten ook leren dat niet álles wat ze doen goed is. Dan ontwikkelen ze hun talenten niet, leren ze nergens in uitblinken. Mijn kleinzoon had een stapel tekeningen gemaakt en daarvan had ik er één op de koelkast gehangen, waarop hij behalve mooie kleurtjes ook een poppetje had getekend. Toen zei hij: ‘Waar zijn die andere tekeningen?’ En ik hoorde mezelf zeggen: ‘Ik vond deze het mooist, dus die andere heb ik niet bewaard’.

„In november met Sint Maarten kregen we een briefje in de bus: of we een sticker op de deur wilden plakken als kinderen konden langskomen met hun lampionnetje. Anders zouden ze misschien aanbellen en teleurgesteld raken. Maar hoe moeten kinderen dán leren omgaan met teleurstellingen?”

Dan kunnen ze straks misschien totaal niet omgaan met échte teleurstellingen?

„Toen onlangs duidelijk werd dat de scholen een tijd dicht zouden gaan vanwege corona, zag ik meteen allemaal initiatieven opgestart worden, digitale manieren om in contact te komen. Mooi, maar na een week werd ik er al een beetje moe van. De meeste kinderen worden er echt niet veel slechter van, als ze even niet naar school kunnen. Ik dacht: kunnen we er ons wel bij neerleggen dat sommige dingen niet kunnen? Misschien is het waardevoller ons te oefenen in dat het leven niet zo maakbaar is als we graag zouden willen.”

Is dat wat u met ‘Uit elkaar’ wilt, weerbaar maken?

„Ja, ik denk het wel. Weerbaarheid is kunnen omgaan met dingen die niet zo gemakkelijk zijn. Dan is er ook ruimte voor een vrolijk, relativerend gedichtje over een scheiding.”