Opinie

De traditie van Wopke Hoekstra

Beatrice de Graaf

Van de week moest ik even met mijn ogen knipperen toen ik de kop las in Der Spiegel, die ik per ongeluk dit keer Engelstalig had gedownload: „Will Holland’s Looser Corona Policies Pay Off?” Zo zie je maar dat het altijd beter is Duitse tijdschriften niet in Engelse vertaling te lezen. Begonnen na de Italianen de Duitsers nu ook al te schelden? Nee, het ging natuurlijk om de ‘lossere’, liberale aanpak van Nederland ten opzichte van op veel plaatsen in Duitsland genomen draconische lockdownmaatregelen. Toch was de kritiek niet van de lucht. Nederland wordt gezien als een free rider, die meelift op de maatregelen van omringende landen, zelf daar de vruchten van plukt, Zuid-Europese landen ook nog eens de les leest, maar zelf onverantwoord de deuren open laat staan en zich solipsistisch in z’n gelijk wentelt.

Terecht werden daarover harde noten gekraakt, en minister Hoekstra moest alweer wat inbinden. Nederland was toch heus echt wel een solidair landje, soms.

Steevast een ‘free rider’

Helaas geeft de geschiedenis onze minister niet gelijk. Als we de geschiedenisboeken er eens bij pakken, doemt er een karakteristiek beeld op. Nederland – als we tenminste de regering bedoelen nu – was nooit solidair, en gedroeg zich steevast als een ‘free rider’.

Elke grote oorlog gedurende de laatste twee eeuwen ging in Europa gepaard met de verspreiding van infectieziektes, soms ook uitlopend op een pandemie. Dat was zo na 1815, toen de duizenden heerscharen vanuit de Russische en Habsburgische rijken West-Europa kwamen bevrijden, maar vanuit het Midden-Oosten, het Middellandse Zeegebied en zelfs met omwegen uit India en Azië diverse plagen in Europa herintroduceerden. De cholera raasde weer over het continent. Eenzelfde patroon herhaalde zich tijdens en na de Krimoorlog, in de jaren vijftig van de 19de eeuw. En over de verspreiding van de Spaanse griep hebben we inmiddels ook genoeg kunnen lezen.

Die extreme verspreiding heeft te maken met het beruchte stapeleffect waar de Franse historicus Devroey in La nature et le roi (2019) al over schreef: pandemieën ontstaan wanneer de uitbraak van een infectieziekte gekoppeld wordt aan intensievere verplaatsingen van mensen, slechte leefomstandigheden, gebrekkige hygiëne en mogelijk nog andere (klimaat)veranderingen. Oorlogen scheppen daarmee bij uitstek de condities voor een verergerde uitbraak en verspreiding van diverse plagen.

Gevrijwaard van de destructie

Maar Nederland dan? Interessant is wat die naoorlogse uitbraken met Nederland deden, en wat Nederland ermee deed. Namelijk niks tot heel weinig. Nederland was de netto profiteur van veel van de oorlogen van de 19de en de 20de eeuw (de Tweede Wereldoorlog uitgezonderd). Het land bleef dankzij de steun van enkele bevriende grote mogendheden neutraal, kon nog enigszins handel blijven drijven, en bleef tegelijkertijd meestal gevrijwaard van de destructieve plagen die met de vele displaced persons en gemobiliseerde en gedemobiliseerde soldaten meereisden. Na 1815 woedde de cholera in heel Europa, maar Nederland bleef gespaard en werd pas bij de tweede en derde golf later in de 19de eeuw getroffen. Ook na 1918 werd Nederland dankzij de neutraliteit minder geraakt, waar in België 300.000 mensen door de Spaanse griep omkwamen, was dat in Nederland 20 tot 40.000 (de cijfers zijn onduidelijk). Dat had dus ook met dat stapeleffect te maken, in België en Frankrijk waren gezondheidszorg en leefomstandigheden door de oorlogsuitputting al erbarmelijk. Toen de ziekte via de gedemobiliseerde Nederlandse soldaten uit de garnizoenssteden aan de grens, en via Limburg, waar veel mensen familieleden in België hadden, het land in kwam, deed de regering niet veel. De bevolking moest de lasten maar opvangen.

Toen de voorloper van de WHO in 1923 werd opgericht, deed Nederland moeilijk over de kosten, en wilde pas twee jaar later wat bijdragen toen de Volkenbond in het Verre Oosten een bureau opzette, waarvan de Nederlanders in Indonesië direct profiteerden.

Geen boogje om ons land

Tijdens de Tweede Wereldoorlog spraken de geallieerde mogendheden af dat ze na de oorlog meer aandacht en geld zouden investeren in het ‘vrijwaren van gebrek’, de ‘freedom from want’, door de links-liberale Sir William Beverigde uitgewerkt in een grootschalig programma voor de vernieuwing van gezondheidszorg en sociale zekerheid. De Nederlandse SDAP-minister en zijn hoge ambtenaar Aat van Rhijn gingen eveneens, al in ballingschap in Londen, met een soortgelijk plan aan de slag, dat in 1945 en 1946 in een dik rapport uitmondde. Maar minister-president Gerbrandy vond het allemaal maar onzin, gezondheid en pensioen waren de verantwoordelijkheid van de mensen zelf. Internationale samenwerking was al helemaal niet nodig. Een te grote rol, en te grote investeringen vanuit de staat waren ‘on-Nederlands’.

Zo bezien staat Hoekstra in een lange Nederlandse traditie. De vraag is of Nederland die traditie van afzijdigheid kan volhouden nu oorlogen en pandemieën niet langer meer een boogje om ons land maken. Gelukkig begrepen Nederlandse artsen al twee eeuwen lang dat isolement de wetenschap niet verder helpt. Zij waren het dan ook die in de jaren twintig, vijftig en nu opnieuw, de fakkel van Nederlandse kennis, kunde en internationale solidariteit hooghouden – de echte ‘winners’ van de geschiedenis.

Beatrice de Graaf is hoogleraar geschiedenis van de internationale betrekkingen in Utrecht.