Couscous op vrijdag

kruipt achter het aanrecht en leert er haar moeder beter kennen. Afl. 4

De Marokkaanse samenleving is gebouwd op sociale cohesie, op samenzijn. Ik kon altijd veel klagen over de sociale druk die hiermee gepaard gaat. Over hoe iedereen altijd overal van op de hoogte is, over hoeveel waarde er wordt gehecht aan andermans mening en dat het weinig ruimte vrijlaat voor persoonlijke ontwikkeling. Ik ging er dan ook prat op niemand nodig te hebben. Ik ben hyperindividualistisch, laat mij maar alleen zijn, was mijn credo. En mijn manier om me te ontworstelen.

Frappant is het dan ook dat na een paar weken semi-quarantaine uitgerekend ik het samenzijn mis. Met al mijn broers en zussen, aangetrouwden en kinderen komen we op vrijdagavond zo vaak mogelijk bijeen bij mijn moeder thuis. Gezeten rond twee grote ronde tafels – een tafel is onvoldoende – met een gigantisch groot bord dampende couscous in ons midden. Ik zou er een hoop voor overhebben om terug te keren naar dat ‘normaal’.

Couscous wordt in Marokko traditiegetrouw op de vrijdag genuttigd, het liefst met zoveel mogelijk familie en vrienden. Eten doe je in Marokko sowieso zelden alleen. Samen eten is zo belangrijk, dat men de warme lunch liever koud laat worden in afwachting van de gasten (die in de regel te laat komen), dan dat men alleen eet.

Eten is zelfs zo belangrijk, dat het slaapliedje dat ouders voor hun kinderen zingen, gaat over het avondmaal. „Slaap kindje slaap, moge Allah voor ons avondeten zorgen, en als wij geen avondeten hebben, moge Allah voor een avondmaal bij de buren zorgen.” Vrij vertaald: wanneer wij niets te eten hebben, zijn er altijd anderen die hun maaltijd zullen delen.

Wanneer ik mijn moeder vraag of ze me al beeldbellend wil helpen couscous te maken voor mijn dochter, die het samenkomen zo mogelijk nog meer mist dan ik, twijfelt ze. Sinds ze terug is uit Marokko eet ze iedere avond alleen. Een makkelijk soepje, een boterham. Uitgebreid koken zit er voorlopig niet in en ik merk dat mijn vrolijke verzoek haar pijn doet. Het besef dat deze situatie voorlopig voortduurt.

Aangemoedigd door een neppruillip en een kirrende „alsjeblieft!” van mijn dochter, besluit ze toch te helpen. We raken direct in een discussie verwikkeld over het toevoegen van vlees. „Zonder vlees smaakt het niet”, zegt mijn moeder. En: „Je kunt je dochter niet vleesloos door het leven laten gaan.” „We moeten beter voor de Aarde zorgen”, werp ik tegen. „Als we één ding leren van deze hele situatie, laat dat het zijn.” Voor ik het doorheb bakkeleien we als vanouds, en dat voelt als een enorme geruststelling.