„Alsjeblieft, ga mee”, zei Gemma Venhuizen tegen haar ex voor ze op wandelreis ging. Hij ging niet mee. De dagen daarna sprak ze geen mens. Leren we onszelf écht beter kennen zonder anderen in de buurt?

Het Grote Verhaal

Alleen met de bergen

Door Gemma Venhuizen. Illustraties Merel Corduwener. 4 april 2020

Eenzaamheid „Alsjeblieft, ga mee”, zei ze tegen haar ex voor ze op wandelreis ging. Hij ging niet mee. De dagen daarna sprak ze geen mens. Leren we onszelf écht beter kennen zonder anderen in de buurt?

De paniek slaat toe zodra de trein Amsterdam Centraal uitrijdt. Twee sportief geklede vijftigers komen de coupé binnen, allebei dezelfde bergwandelstokken. Hij legt haar rugtas op het bovenrek en laat haar bij het raam zitten.

Het is de aanblik van haar hoofd op zijn schouder die me naar mijn telefoon doet grijpen.

Ik bel X. En nog een keer, en nog een keer. Voicemail.

„Ik kan dit niet alleen”, smeek ik, half fluisterend. „Ik wil dit niet op deze manier. Ik stap uit de trein bij Utrecht Centraal. Jij moet mee. Alsjeblieft, ga mee.”

Meteen daarna heb ik spijt. Ik weet dat het niets zal uithalen, dat hij zijn plannen niet zal wijzigen, dat hij er niet van houdt als ik paniekerig doe.

Ik zoek in mijn backpack naar Japie. Voel zijn kaalgesleten vacht, zijn glazen ogen, onregelmatig als te vaak gebutste knikkers.

Een week wildkamperen in Ticino, het Italiaanse deel van Zwitserland: toen we het een half jaar geleden planden, klonk het zo romantisch. Nu is X mijn ex en gaat hij met een vriend een bergkam ergens ten oosten van Vallemaggia bewandelen, terwijl ik in mijn eentje naar de westzijde vertrek.

„Denk je dat je dat kunt?” had mijn beste vriendin gevraagd toen ik vertelde dat ik overwoog tóch te gaan. Ik haalde mijn schouders op. Ik had vaak genoeg in mijn eentje gereisd. Chili, Alaska, Nieuw-Zeeland. Zo bezien was Zwitserland een thuiswedstrijd. „Maar op die andere reizen was je nooit écht alleen”, voegde ze toe. „Er was altijd wel een schaapsherder of een zeeman tegen de eenzame momenten.”

„Misschien kom ik nu een houthakker tegen”, antwoordde ik, maar ik wist dat ze gelijk had. Nooit was ik langer dan 24 uur op een plek geweest zonder iemand te zien en te spreken. Ik hield van het beeld van mezelf als einzelgänger, als reislustige zelfstandige 34-jarige vrouw. Maar hoe het echt zou zijn om in mijn eentje een meerdaagse bergtocht te maken? Geen flauw idee. En juist daarom besloot ik het te doen. Reizen met het doel om alleen te zijn, met mezelf als enige vakantieliefde. Zeven dagen de bergen in, een rondtocht vanuit Vallemaggia via het Lago Sascola en Lago d’Alzasca. Wandelen, kamperen, luieren in de zon. Mijn telefoon alleen voor noodgevallen. Om te kijken of ik het kan: echt alleen zijn. Zonder afleiding op eenzame momenten. Zonder iemand in de buurt als ik me somber voel, of bang.

Illustratie Merel Corduwener

X appt terug. Dat hij niets kan doen, dat ik gewoon moet blijven zitten. Dat het allemaal wel zal meevallen als ik er eenmaal ben.

Ik blijf zitten. Eerst tot Utrecht, dan tot Arnhem, Oberhausen, Keulen. Elk station is een kleine overwinning. Bij Basel ziet een vrouw tijdens het overstappen mijn betraande wangen. Ze zegt: „It will get better.”

En inderdaad: met het verglijden van het landschap word ik rustiger. Ik stuur X een liefdevol berichtje, om te laten zien dat ik mezelf herpakt heb. Hij stuurt een liefdevol berichtje terug.

Als ik die avond in Lugano mijn hotelbed inrol, voelt het alsof ik de eerste berg al bedwongen heb.

Dag 1, 10.35 uur

Mijn backpack staat half ingepakt in een hoek. Vanaf het Lago di Lugano klinken stemmen, en geplons. Over een half uur vertrekt de bus naar de bergen. Bij het ontbijt heb ik zoveel mogelijk gegeten – een croissantje, yoghurt, chocoladetaart – met het vooruitzicht op een week waterige havermout.

Ik verruil mijn teenslippers voor bergschoenen, pak mijn tas weer in, Japie dubbelgevouwen bovenop. Bij zijn nek komt geel vulsel naar buiten. Ik gris een naaisetje mee van de wastafel. Een klusje voor in de bergen.

Voorin kletsen twee oude dames met de buschauffeur, en aan de andere kant van het gangpad kijkt een kleuter vanaf haar vaders schoot naar buiten.

Als kind vond ik alleen zijn leuk. Klasgenootjes vroegen of ik het niet miste, een broer of zus, maar ik zag vooral voordelen. Geen ruzie, geen getouwtrek om aandacht. Tijdens vakanties gingen we wekenlang wildkamperen in Scandinavië en dan bouwde ik een vlot voor Japie of las ik Ronja de roversdochter. Ik waande mezelf een roversdochter, helemaal alleen in de bossen. Mijn ouders telden niet mee, die maakten net zo vanzelfsprekend deel uit van het decor als de tent en het opvouwbare afwasteiltje.

Illustratie Merel Corduwener

Toen ik zes was, overleed de vader van een klasgenootje. „Wat gebeurt er met mij als jullie doodgaan?” vroeg ik aan mijn moeder. Ze zei dat ik bij mijn oom en tante zou gaan wonen. Nog diezelfde avond maakte ik met mijn nichtje opgetogen een lijst van alle Barbies die ik mee zou nemen als het zover was.

Ik kon goed alleen zijn omdat ik nooit echt alleen wás. Pas nu mijn ouders ouder worden, mis ik een broer of zus. Iemand die er straks nog is als zij er niet meer zijn.

In Cevio moet ik een half uur wachten op de aansluiting naar Linescio, het vertrekpunt van mijn wandeling. Vlak bij de halte is een kleine kerk, waar het aangenaam koel is. In het halfduister lees ik een appje van mijn moeder. „Lieve Gems, beetje goed geslapen vannacht? Papa en ik wensen je heel veel plezier. Laat je af en toe wat horen als je bereik hebt? Loop voorzichtig! Kusjes van ons.”

Lucifers, denk ik bij het verlaten van de kerk. Lucifers. Net op tijd. Godzijdank.

Matches, per favore”, zeg ik tegen de man van het benzinestation, maar hij begrijpt me niet. „Fire?” probeer ik. Pas als ik een ingebeelde sigaret opsteek, komt hij triomfantelijk aanzetten met een pakje flinterdunne lucifers. Ik weet niet hoe ik om een extra pakje moet vragen. Met de lucifers in mijn zak en de backpack in mijn armen sprint ik naar de bus. Eén voordeel van alleen zijn: niemand die je te strakke tijdsplanning ongevraagd van commentaar voorziet.

Dag 1, 14.15 uur

In Linescio is de hoofdstraat verlaten. In de verte blaft een hond, ergens huilt een baby. Vanuit hier is het 1.100 meter klimmen naar het Lago di Sascola. Op de kaart staat met een potloodstreepje de route die X voor ons had uitgestippeld.

Nog zeven uur voor de zon ondergaat.

Bij de brug net buiten het dorp kom ik een ouder echtpaar tegen, dat me hun net verzamelde tamme kastanjes laat zien. Als ze horen dat ik in mijn eentje de bergen intrek, kijken ze bezorgd naar mijn blote benen.

Illustratie Merel Corduwener

Look out for the snakes”, zegt de vrouw. Ik knik en lach vriendelijk, als een doorgewinterde wandelaar die uiteraard allang wist dat hier slangen voorkomen.

Na het afscheid kijken ze nog even over hun schouder. Nu begint het echt. Vanaf hier ben ik alleen.

Bij het klimmen rijgen mijn gedachten staccato aaneen. Bloedheet. Wat is die enorme knal? Onweer? Vast een explosie in de steengroeve. Wat is het warm. Ik wil een Bifi-worstje. Zweet. Is dat een slang? Een stok. Moe. Hoeveel meter heb ik al geklommen? Ik mis hem. Mag ik al pauzeren? Kwart voor drie. Pauze. Mooie bemoste steen. Foto. Accu sparen. Smartphone op vliegtuigstand. Bedenk zoveel mogelijk dieren met een A. Aap, aardvarken, aalscholver, anaconda, adder. Slangenantiserum. Slok water. Tas af.

Op de kaart zie ik dat ik vijftig meter geklommen heb – één hoogtelijn. Met dit tempo moet ik het laatste deel klimmen met mijn hoofdlamp op. Ik trek mijn doorweekte shirt uit. Pas als ik mijn backpack weer heb opgehesen merk ik dat ik moet plassen. Met tas en al hurk ik boven een geultje met halfvergane beukenbladeren; bij het opstaan verlies ik bijna mijn evenwicht.

In zebraprint-sport-bh loop ik verder. Mijn buik, nat van het zweet, vormt een rolletje vet boven de strak aangesnoerde riem van mijn rugzak. Mijn heupen trillen mee met elke stap en toch blijft de kritische stem die ik normaal in mijn hoofd hoor uit. Geen waardeoordelen. Zonder spiegels, zonder mensen in de buurt mag mijn lijf gewoon mijn lijf zijn.

„Nog even doorzetten, benen”, zeg ik hardop, en dan: „Hou je het nog uit daar in de rugzak, Japie?”

De psycholoog die ik ooit vertelde dat ik nog met een knuffelaap in bed sliep, zei dat ik verlatingsangst had. Ik was 17 en vond het spannend om te studeren en op kamers te gaan. Ze noemde Japie een „transitioneel object”, bedoeld om vast te houden aan mijn kindertijd.

Vriendjes met wie ik in de jaren daarna het bed deelde, keken met enige huiver naar zijn glimmende snoet.

Maar Japie bleef, ook al woonde ik inmiddels al lang op kamers. Op mijn dertigste kocht ik een eigen huis, en Japie verhuisde mee.

Dag 1, 16.40 uur

Het bos wordt dunner, ik passeer een alpenweide vol met bloemen. Her en der staan vakantiehuizen, allemaal verlaten. In de verte ligt sneeuw op de bergen. De rugbanden schuren op mijn blote schouders. Ik smeer nog wat extra zonnebrandcrème op mijn armen, eet twee Bifi-worstjes, mag van mezelf tien minuten languit liggen op een muurtje. Niet in het slangengras.

Na de alpenweide wordt het pad minder steil. Af en toe zijn er zijpaden die niet op de kaart staan, en op goed geluk kies ik mijn route. Te lang stilstaan lukt niet, dan landen de muggen op mijn blote armen.

Illustratie Merel Corduwener

De soundtrack in mijn hoofd bestaat uit Bert & Ernie („Grote bergen zoute peren liggen in de zonneschijn/ en een kussen vol met veren naast een fles met wijnazijn) afgewisseld met de nummers die Eddie Vedder schreef voor Into The Wild, de film waarin twintiger Christopher McCandless in zijn eentje de wildernis van Alaska intrekt. „As I walk the hemisphere/ I got my wish to up and disappear.” Aan het einde van de film is McCandless dood. Tot zover de romantiek van het in je eentje de natuur intrekken.

Slok water. Mug. Wat zijn dat voor roze bloemen langs het pad? Bij een van die bergtoppen in de verte wandelt X nu. Heb ik genoeg haringen mee? Japie, ik ben moe. Zouden vrouwen zich in de prehistorie druk hebben gemaakt over beenhaar? Verzin tien plaatsnamen met een dier erin. Otterloo, Hoenderloo, Katwijk, Aalsmeer, Muggenbeet, Zwijndrecht, Zwaanshoek. Pauze. Vijf muggen op mijn linkerarm. Pijnlijke hiel. De gesmolten chocolade van de KitKat-wikkel aflikken. Beverwijk. Duivendrecht. Hongerige Wolf. Hongerige Wolf? Ja echt, Japie, dat ligt in Groningen.

Have no fear/ For when I’m alone/ I’ll be better off than I was before.

Dag 1, 20.22 uur

Water in zicht! Ik weet niet hoe het kan, want volgens mijn kaartleeskunsten was het nog 100 meter klimmen vanaf hier. Maar opeens sta ik boven op een heuveltje, met aan mijn voeten het spiegelgladde Lago di Sascola. Aan de overkant wordt het ingesloten door een steile rotswand, maar aan deze kant loopt de grashelling glooiend tot aan de oever. Ik laat mijn tas van mijn schouders glijden, tap water bij een beekje en maak een paar vreugdesprongen. Alle moeheid is verdwenen.

Mijn anderhalfpersoonstent zet ik op vlak naast het meer. Opblaasmatje, donzen slaapzak, kussensloop met reservekleren erin. De rits van de tent richting meer en rotswand, met uitzicht op de waterval.

Het kost me vijf kostbare lucifers om het gasje aan te krijgen: de houtjes zijn flinterdun en bij de minste druk vliegt de kop eraf. Maar uiteindelijk kook ik water voor een gevriesdroogde eenpersoonsmaaltijd pasta bolognese, met gevriesdroogde chocolademousse toe.

Ik stuur een uitgebreide app aan X, met lyrische beschrijvingen van de waterval en mijn kampeerplekje. „Ziet er goed uit” appt X, zonder xxx erachter, en direct is het eenzame gevoel weer terug.

Illustratie Merel Corduwener

Dag 2, 01.30 uur

Illustratie Merel Corduwener

Plassen. Geen ster te zien. Het gras rond mijn blote voeten wordt warm en nat. Rillend kruip ik mijn slaapzak weer in.

Woelen op mijn matje. Piekeren.

Wat als er een enge man rondzwerft?

Of een beer? Zijn er ook beren hier?

Wat als ik voor altijd alleen blijf?

Dag 2, 07.45 uur

Ik word wakker van de zon op de tent. Buiten zoemt een hommel en al na twee lucifers is het water aan de kook voor de havermout. Ik leg mijn luchtbed buiten in het gras en kijk liggend op mijn buik naar de waterval.

Heel even voelt het leven volmaakt, ook zonder het te delen.

Ik lees De buitenjongen van Paolo Cognetti, over een man van in de dertig die in zijn eentje de Alpen intrekt. Een van de vele boeken over eenzame afzondering in de natuur. Ook het levensverhaal van McCandless uit Into the Wild verscheen eerst in boekvorm. En dan natuurlijk nog Henry David Thoreau’s Walden, Cheryl Strayeds Wild (over een vrouw die de Pacific Crest Trail in de Verenigde Staten bewandelt om in het reine te komen met haar verleden) en mijn lievelingsboek Doppler, een roman van de Noorse schrijver Erlend Loe die aan de maatschappij en zijn gezin ontsnapt door in het bos te gaan wonen met een elandkalfje.

Nadat Wild in 2014 werd verfilmd, begonnen er jaarlijks drieduizend in plaats van driehonderd wandelaars aan de 4.265 kilometer lange tocht door Californië, Oregon en Washington – allemaal op soul searching. Wandelen is heilzaam, daar zijn neurowetenschappers, mindfulnessgoeroes en psychiaters het over eens. Maar waar komt die hang naar afzondering vandaan? Leren we onszelf écht beter kennen zonder anderen in de buurt? Komen we dichter bij onze kern, krijgen we diepere gedachten?

Vooralsnog merk ik er weinig van – of de kern van mijn bestaan moet samenhangen met de vraag ‘brandt de havermout al aan?’ (Antwoord: ja.)

Illustratie Merel Corduwener

Dag 2, 08.10 uur

Bij gebrek aan een douche besluit ik tot badderen in het meer. In mijn blootje in de buitenlucht. Bang voor enge mannen ben ik bij daglicht niet langer: het zou heel onrendabel zijn om zó ver van de bewoonde wereld op een potentieel slachtoffer te wachten.

Het ondiepe water vlak langs de oever is opgewarmd door de zon, maar zodra ik tot kniediepte door ben wordt het ijskoud. Mijn voeten zoeken tevergeefs houvast op de met algendrab bedekte stenen en ik glijd onderuit. Koudkoudkoudkoudkoudkoudkoudkoud.

Na een paar minuten ga ik op de oever zitten om op te drogen, mijn voeten in het water. Ik maak een naaktselfie en wil hem aan X sturen. Zie mij. Kies mij. Mis mij. Ik doe het niet en voel me belachelijk trots.

Daags nadat ik had besloten om in mijn eentje deze tocht te maken, sprak ik een oud-collega. Na de obligate ‘hoe is het met jou, goed, met jou, ook goed’ vuurde ze drie vragen af: had ik een gezin, een vriend, een kind? Gevolgd door de doodsteek: waaróm dan niet?

„Ik weet het niet”, was het enige dat ik kon uitbrengen. Maar als ik minder overrompeld was geweest, had ik het antwoord dan geweten?

Ben ik, zoals een CBS-rapport uit 2018 impliceerde, te veel gefocust geweest op mijn carrière? Of wilde ik, zoals een kennis opperde, juist te graag?

Een vis knabbelt een los velletje van mijn grote teen. Gratis voetmassage boven de boomgrens.

Illustratie Merel Corduwener

Dag 2, 12.00 uur

Ik ben op avontuur rond het meer. Overal bloeien weer die kleine struiken met rhododendronachtige roze bloemen. Met elke stap krijg ik iets van het avonturiersgevoel van vroeger terug. Ronja in haar element.

Doornstruikjes striemen langs mijn blote benen, mijn rok blijft haken achter een tak – wie neemt er dan ook een rokje mee de bergen in? Toch stille hoop op een schaapsherder?

De oever wordt steiler, het gras hoger. Ideaal slangenterrein. Ik pak een lange stok en tik er ritmisch mee op de grond. Misschien jaagt dat ze weg. Hardop zing ik een zelfbedacht lied. „Ik ben niet bang/ Voor de slang/ Hij jaagt mij niet op stang/ Of achter het behang/ Maar schrikt van mijn gezang.”

Ik maak er een paar huppelpasjes bij. Mijn innerlijke 8-jarige heeft de tijd van haar leven.

Dag 2, 13.55 uur

Dicht bij de rotswand is de oever nagenoeg afwezig. Ik klauter van rotsblok naar rotsblok. Hoelang geleden zijn deze stenen naar beneden gevallen? Zag dit landschap er tweeduizend jaar geleden precies hetzelfde uit, maar dan zonder mijn tentje?

Uiteindelijk bereik ik de waterval. Ik vul mijn lege waterfles en spoel mijn schrammen schoon.

Dag 2, 16.58 uur

Ik steek de naald in Japies nek. De draad is donkerder bruin dan de rest van zijn vacht en ik naai met grove steken, net genoeg om het gele vulsel tegen te houden. Daarna laat ik hem een tijdje in het blauwe opvouwbare afwasteiltje dobberen langs de oever. Als hij te ver zou afdrijven, zou ik hem direct achterna zwemmen.

Om me heen verloven vriendinnen zich; ze trouwen, worden zwanger. Op kraamvisite ben ik degene die een knuffel meebrengt voor de baby. Soms weet ik niet of ik me meer verwant voel met de ouders of met het pasgeboren kind.

Illustratie Merel Corduwener

Dat X geen kinderen wilde, was al duidelijk op de eerste date. Na afloop mailde hij dat we misschien maar beter vrienden konden blijven, gezien ons verschil in toekomstdromen. Maar ik antwoordde koppig dat we gewoon konden zien hoe het ging. Drie weken later gingen we samen naar Terschelling en vanaf dat moment waren we samen.

Het inzicht dat hij écht niet zou bijdraaien kwam pas vele maanden later, na een romantische kampeervakantie op Corsica. Hoe heviger hij niet wilde, des te meer wilde ik wél, en andersom. Steeds als ik me voornam om mijn mond erover te houden, begon ik er toch weer over.

Tot ik moest kiezen tussen hem en het hypothetische kind.

Ik dacht altijd dat ik een broer of zus niet miste omdat ze er simpelweg niet waren. Waarom mis ik een kind dan wel?

En waarom heb ik iemand van wie ik houd én die van mij houdt ingeruild voor iemand die er misschien nooit zal komen?

Dag 2, 20.10 uur

Ik maak een alfabet in mijn hoofd van alle mannen van wie ik ooit gehouden heb – voor het gemak tel ik kortstondige verliefdheden ook mee. Met uitzondering van de G, de I en de Q kom ik een heel eind.

Het avondeten is vriesdroogcurry met niets toe. Ik speel een potje Yahtzee tegen mezelf en kruip de tent in.

„Nadenken over X (iets te veel)” noteer ik in mijn dagboek.

Illustratie Merel Corduwener

Dag 3, 02.22 uur

Ik word wakker met enorme hoofdpijn en een te volle blaas. Na een kwartier moed verzamelen kruip ik mijn warme slaapzak uit.

De sterrenhemel is overweldigend. Recht boven mijn hoofd staat de Noorderkroon, met als helderste ster Alphekka – ook wel bekend als ‘Gemma’. Ik sleep mijn matje en slaapzak naar buiten en lig een half uur naar de hemel te kijken. Ik denk aan een citaat uit Le Petit Prince dat op de kaft van mijn dagboek staat. Pour les uns qui voyagent, les etoiles sont des guides.

Dag 3, 08.00 uur

Enorm geraas buiten de tent. In mijn halfslaap denk ik aan de waterval, maar als het steeds luider wordt, steek ik toch mijn hoofd door de rits. Het blijkt een helikopter. Een boswachter die me komt wegsturen? Volgens X was wildkamperen hier „redelijk legaal”. De helikopter landt op een vlak stukje gras, een paar honderd meter van de tent, en stijgt daarna snel weer op. Met bonkend hart blijf ik liggen wachten of er iemand komt.

Dag 3, 08.40 uur

Niemand.

Illustratie Merel Corduwener

Dag 3, 10.20 uur

Ik zit net met mijn blote billen gehurkt tussen de alpenrhododendrons als ik stemmen hoor. Drie mensen aan de andere kant van het meer. Ze staren met verrekijkers naar een vogel die boven hun hoofden zweeft.

Mijn eerste neiging is om te zwaaien. Maar wil ik wel dat ze hierheen komen? Is mijn hele experiment van eenzame, louterende opsluiting in de natuur dan niet mislukt? 44 uur en 5 minuten geleden sprak ik de twee Italianen – daarna niemand meer. En nu ben ik al mensenschuw. Ik pak mijn rol wc-papier en klauter naar een groepje bomen, hoger op de helling. Vanuit hier kan ik ze in de gaten houden zonder dat ze mij zien.

Vroeger onderbraken we onze wekenlange gezinswildkampeersessies in Noorwegen af en toe met een bezoek aan een camping, zodat ik daar nog wat vriendjes en vriendinnetjes kon maken. Steevast was ik te verlegen om op andere kinderen af te stappen. Meestal klom ik ergens in een boom totdat ik lang genoeg weg was geweest om geen argwaan bij mijn ouders te wekken.

Nu merk ik weer hoe veilig het voelt in zelfverkozen ballingschap. Niemand tot wie je je hoeft te verhouden, niemand die je kan afwijzen. Ik kijk hoe de drie uit het zicht verdwijnen. Het ruikt vertrouwd naar hars en warm naaldhout.

Dag 3, 11.55

Illustratie Merel Corduwener

Ik kijk nog één keer over mijn schouder naar het Lago di Sascola voor ik de bergrug oversteek. „Ik kom terug!” roep ik. Wanneer, of met wie, laat ik in het midden.

Nog steiler dan eergisteren. En geen bomen meer, dus ook geen schaduw. Is dat schapenpoep op het pad? Ik wil zitten, maar als ik ga zitten wil ik niet meer opstaan. Niet zitten.

Noem tien plaatsnamen met een lichaamsdeel erin. Oog in Al. Steenwijk. Apeldoorn. Of nee, beter Stavoren. Haarlem. Roermond. Is haar een lichaamsdeel? Wat is het anders? Neuschwanstein.

Nee, dat ligt in Duitsland, dus dat telt niet.

Houd je mond, Japie, ik verzin de regels.

Bifiworstje. Plassen. Klimmen. Hijgen. Klimmen. Et cetera. Wat vond ik zo leuk aan in de bergen wandelen?

Hee, daar beweegt iets in de verte. Een gems? Een steenbok? Een uit de kluiten gewassen alpenmarmot?

Klimmen, klimmen, klimmen.

Gewoon een schaap.

Het uitzicht is hier vanaf de top fantastisch. Wat vond ik niet leuk aan in de bergen wandelen?

Illustratie Merel Corduwener

Dag 3, 14.30 uur

De zon brandt zo fel dat ik mijn lakenzak over een houten wegwijzer heb gedrapeerd tot een tijdelijk tentje. Ik lees De Buitenjongen. „Ik heb nooit een kameraad gevonden die zo kameraadschappelijk is als de eenzaamheid”, schrijft Cognetti.

Dag 3, 18.45 uur

Nog een meer: Lago d’Alzasca. Een groot deel van de oever is te drassig of te steil, maar uiteindelijk vind ik een grassig vlak stuk dat net groot genoeg is voor mijn tent.

In de avondzon eet ik vriesdroog-spaghetti-carbonara en een pepermuntje dat ik in mijn broekzak vind.

In de lege pasta-bolognese-verpakking heb ik de afgelopen dagen mijn wc-papiertjes verzameld, met als doel ze op te stoken in een kampvuur.

Ik sprokkel wat hout, ik bouw een mini-wigwam zoals ik X zo vaak heb zien doen en gebruik drie lucifers om het geheel aan te steken. Na een paar seconden doven te vlammen en ontstaat er alleen een heleboel rook. Wel handig om de muggen op afstand te houden.

Dag 3, 21.00 uur

Illustratie Merel Corduwener

Een vleermuis tijdens het tanden poetsen. Aan mijn voeten, in het meer, flonkeren sterren.

Ik moet denken aan de keer, jaren geleden, dat ik ’s nachts op de voorplecht van een schip stond naast een knappe zeeman en dat het water overal om ons heen oplichtte door de zeevonk. Het was zo romantisch dat ik tegen hem aan wilde staan, maar ik durfde niet. Alsof hij mijn gedachten had geraden, sloeg hij zijn arm om me heen. „Het is goed om af en toe op iemand te leunen”, zei hij. Ik zei niet dat ik bang was dat ik zou verleren om in mijn eentje recht overeind te staan. Dat ik, als ik iemand naast me toeliet, schever en schever zou groeien, totdat ik permanent gestut zou moeten worden.

Er valt een ster in het meer, en voor het eerst sinds tijden wens ik níet dat X op magische wijze tot inkeer komt en alsnog een kind met me wil.

De afgelopen dagen heb ik weer geleerd rechtop te staan.

Illustratie Merel Corduwener

Dag 4, 07.00 uur

Ik word wakker van gehijg buiten de tent. Tóch een enge man? Ik pak het scherpste dat ik kan vinden (mijn vork) en open de rits. Beter in de aanval dan lijdzaam afwachten. Op een paar meter afstand staat een bezwete, donkerharige man in geel lycra. „Buongiorno”, brengt hij met moeite uit, en hij neemt een slok uit zijn bidon. Pas als hij wegrent langs het meer, heuvelop, zie ik dat hij een rugnummer heeft. Meteen daarna twee nieuwe renners, en daarna nog meer. „Ciao”, zeg ik, wel vijftig keer. Elke keer met een bredere lach. Door de interactie, de vrolijke bezwete gezichten als ik begin te applaudisseren, voel ik me weer verbonden. Ik wil me niet langer wegritsen van de buitenwereld.

Het kost het laatste restje accu dat ik nog heb, maar na een paar minuten op Google weet ik waar ik naar kijk: een halve marathon door de bergen, met in totaal 2.000 meter hoogteverschil. 21 kilometer op en neer over steile, smalle paadjes, vol boomwortels en stenen.

Mamma mia!” roep ik naar een donkerharige Italiaan van mijn leeftijd. „Very impressive.”

Ciao bella!” roept hij terug. Ik grijns als een verliefde puber.

Illustratie Merel Corduwener

Dag 4, 14.10 uur

Ik ben op weg naar een berghut. Naar een echt bed, echt eten en echte mensen. Ik heb nog negentien lucifers over, ik zou met gemak de week kunnen volmaken, maar het is mooi geweest. Alleen havermout gaat ook vervelen; soms wil je er rozijnen bij.

Ik denk aan een Bert en Ernie-liedje dat ik al bijna vergeten was. Bert wil lezen en heeft Ernie het huis uit gestuurd. Maar hij krijgt spijt en zingt dat je veel beter met z’n tweeën kunt lachen dan in je eentje. Dat het veel spannender is om tegen iemand anders te praten dan tegen jezelf, omdat je dan tenminste nog niet weet wat die ander terugzegt.

Dat alleen zijn soms best leuk is, maar niet al te lang.

Dag 4, 15.00 uur

Precies 72 uur en drie kwartier nadat ik voor het laatst een echte dialoog heb gevoerd, bereik ik de berghut.

De waardin, Bettina, zit aardappels te schillen in de zon. Ze is van mijn leeftijd en runt hier in de zomer de hut met haar zoontje, terwijl haar man in het dal werkt. Als ze hoort dat ik de afgelopen dagen aan het wildkamperen was, kijkt ze me ongelovig aan. „Ganz alleine? Du bist eine Powerfrau!

Dat het wel meevalt met die power, zeg ik. Dat ik er als een berg tegenop zag, en dat er in het oorspronkelijke scenario ook nog sprake was van een man. „Maar nu ben ik blij dat ik het in mijn eentje heb gedaan. Zodat ik weet dat het in mijn eentje ook heel leuk is.”

Ze haalt twee halve liters bier en we proosten. Op elkaar en op onszelf.

Illustratie Merel Corduwener