Aantal kwetsbare leerlingen tijdens coronacrisis groeit

1 op 5 leerlingen is ‘kwetsbaar’ en heeft begeleiding nodig bij thuisonderwijs. ‘We merken dat we kinderen kwijtraken.’

Nu scholen drie weken zijn gesloten, blijkt een deel van de kinderen onbereikbaar voor leerkrachten.
Nu scholen drie weken zijn gesloten, blijkt een deel van de kinderen onbereikbaar voor leerkrachten. Foto Merlin Daleman

Scholen maken zich zorgen om het welzijn van leerlingen met wie ze geen of nauwelijks contact krijgen, nu ze door het coronavirus gesloten zijn. Na drie weken thuisonderwijs merken scholen in het basis- en voortgezet onderwijs dat het aantal kwetsbare leerlingen dat opvang en begeleiding nodig heeft, groeit.

„We merken dat we kinderen kwijtraken”, zegt Mariët ten Berge van de stichting Westelijke Tuinsteden, waaronder zestien basisscholen vallen uit het Amsterdamse stadsdeel Nieuw-West. „Kinderen reageren heel incidenteel, zijn sporadisch online of onbereikbaar. We blijven mailen en bellen en er zijn zelfs leerkrachten die ernaartoe gaan. Maar daar zit een grens aan, zeker nu.” Het gaat volgens Ten Berge om een paar kinderen per klas.

Lees ook: Juist thuis hebben kinderen nu soms extra hulp nodig

De PO-Raad, de vereniging van basisschoolbesturen, deed deze week een peiling onder 285 besturen (samen 414.915 leerlingen). Gemiddeld is 19,3 procent van de leerlingen kwetsbaar, volgens de besturen. Zonder de scholen voor speciaal onderwijs komt dit percentage op 12,5 procent.

Veel scholen vangen kwetsbare leerlingen op in kleine klasjes – als er tenminste contact is. Basisscholen vangen nu 3,8 procent van de leerlingen op: driekwart daarvan heeft ouders met een vitaal beroep, het overige deel is een ‘kwetsbare leerling’.

Een paar scholen (2,5 procent) laat weten dat de opvang van kwetsbare leerlingen in de gemeente nog niet op gang is gekomen, 70 procent verwacht dat het aantal op te vangen leerlingen de komende week groeit.

200 leerlingen ‘kwijt’

De stichting Lucas Onderwijs in Den Haag, waaronder 77 scholen vallen, zei donderdag ruim 200 van de 34.000 leerlingen niet te kunnen bereiken. „We doen er echt alles aan om contact te krijgen”, zegt voorzitter Ewald van Vliet „Soms blijken kinderen naar het land van herkomst vertrokken, Polen bijvoorbeeld. Dat horen we dan via via.”

Inmiddels ligt het getal „een stuk lager”, laat Van Vliet een dag later weten. „Er hebben zich ouders gemeld. Op de basisscholen hebben we nu met iedereen contact.”

Bij Stichting Boor in Rotterdam (73 scholen met in totaal zo’n 30.000 leerlingen) is „met enkele tientallen” kinderen geen enkel contact, zegt woordvoerder Dorieke Hammink. Ook Stichting Boor hoort van kinderen die naar Polen of Bulgarije zijn vertrokken.

De gezinnen met wie scholen geen contact kunnen krijgen, worden bij de Leerplichtafdeling van de gemente gemeld. Die gaan vervolgens langs, eventueel met tolk. Ook de wijkagent wordt soms ingeschakeld.

Ingrado, de koepel van leerplichtambtenaren, maakt zich zorgen over de scholieren met wie het contact verloren is. „We missen deze kinderen in het onderwijs en maken ons zorgen over hun veiligheid en hun recht op onderwijs en ontwikkeling”, aldus de koepel in een verklaring.

Opvang komt op gang

Leerplichtambtenaren, scholen, jeugdzorg en buurtwerk moeten er alles aan doen contact te krijgen, stelt Ingrado – niet vanwege het handhaven van de leerplichtwet maar „om gedeelde maatschappelijke zorg”. „Indien nodig moeten we creatief zijn”.

Gemeenten zijn in de eerste plaats verantwoordelijk voor de opvang van kwetsbare leerlingen. Volgens 63,5 procent van de schoolbesturen komt dit in de gemeente op gang, blijkt uit de peiling van de PO-Raad. Bij enkele scholen (2,5 procent) is dat niet het geval. In 43 procent van de gevallen nemen scholen hierbij het voortouw, gevolgd door gemeenten (35 procent). In andere gevallen doen betrokken partijen dat samen.