Opinie

Dit is de kans om het alledaagse in huis te ontdekken

Thuis Gebruik de binnenblijftijd om je eigen huis te ontdekken, zegt Floor Rusman. Geluiden, licht en de scheurtjes in de muur observeren is goed tegen onrust.

Foto’s Merlijn Doomernik

In Winter Journal, zijn in 2012 uitgekomen memoires, beschrijft Paul Auster op hoeveel manieren hij in de loop der jaren niet thuis is geweest. Hoeveel duizenden uren heeft hij wel niet doorgebracht in vliegtuigen, auto’s, treinen en bussen, zittend in wachtruimtes en staand bij bagagebanden, vraagt hij zich af. En hoeveel jaren was hij in totaal niet in zijn thuisland, Amerika?

Auster staat met zijn reislust ongetwijfeld aan de avontuurlijke kant van het spectrum, maar ook minder mobiele burgers spenderen een groot deel van hun tijd buiten hun thuisbasis. De moderne mens gaat meerdere keren per jaar met vakantie, werkt buitenshuis en brengt zijn vrije tijd deels door in sportclubs, cafés en de huizen van vrienden.

Aan al die dingen kwam drie weken geleden abrupt een eind. We zijn naar huis gestuurd voor onbepaalde tijd.

De hernieuwde, intensieve kennismaking met het eigen huis is niet altijd makkelijk, te oordelen naar het animo voor de bouwmarkt, de hoeveelheden grofvuil op straat en de opvallende aanwas aan tweedehandsspullen op Marktplaats-achtige sites. Onze huizen zijn vol onvolkomenheden: de plinten zitten los, de verf bladdert af, de bank is versleten. Die smetten moeten stante pede worden weggewerkt.

De huidige opruim- en kluswoede is een logische manier om angst en onzekerheid te kanaliseren. Zoals Willem Frederik Hermans in 1955 schreef in een brief aan Gerard Reve: „Van de week ben ik begonnen een boekekast te timmeren. Reeds in mijn veelbesproken jeugd was ik van plan horlogemaker te worden, maar het mocht niet van mijn vader. Thans zie ik hoe gezond ik mij bij handenarbeid voel. Het geheim van niet krankzinnig zijn is niet aan krankzinnige dingen denken.”

Maar het verwoede herscheppen is meer dan bezigheidstherapie. Het is een verhevigde vorm van huisgericht perfectionisme waarmee we normaal gesproken ook te maken hebben.

Ons huis is niet alleen een plek waar wij ons prettig willen voelen, maar ook een middel om iets te vertellen over onszelf. Niet voor niets beloven veel woonstylisten het huis van de klant in lijn te brengen met zijn persoonlijkheid. En niet voor niets beschrijft Paul Auster in Winter Journal zijn leven aan de hand van de 21 huizen waarin hij heeft gewoond.

Als kind tekende ik graag dwarsdoorsnedes van zelfbedachte huizen, waarvan elke kamer minutieus was ingericht. Deze huizen waren een soort zelfportretten. Toen ik eenmaal op mezelf ging wonen, was ik perfect voorbereid. Een matras op de grond moest ik hebben, een ribfluwelen stoel, en beslist geen Billy-boekenkast – ‘zo iemand’ was ik niet.

Wonen is aspireren. Ik heb, zoals wel meer mensen, terugkerende dromen waarin ik ontdek dat mijn huis veel groter is dan gedacht. Achter een voorheen onopgemerkte deur blijkt een gang te zitten naar een houten galerij met overhangende bougainville; ik vind een berging waarachter allemaal extra kamers schuilgaan; ik blijk meerdere verdiepingen te hebben, verbonden door een glazen wenteltrap.

Ons huis is nooit goed genoeg, altijd denken we dat het échte geluk nog wacht, in een ander huis, of in hetzelfde huis maar met een ander tapijt, of een andere kleur op de muren. Ik ken iemand die een obsessie had met de verf van Farrow & Ball, die namen draagt als ‘radicchio’ en ‘elephant’s breath’. Toen alle muren in zijn huis geschilderd waren en hij bovendien had gezorgd voor vloerverwarming in de badkamer en een nieuwe betegeling van de keuken, was hij nog niet gelukkig. Toen kocht hij een nieuw huis.

De Amerikaanse essayist Meghan Daum heeft een heel boek gewijd aan dit aspireren, Life Would Be Perfect If I Lived In That House. Het boek behandelt haar zoektocht naar het perfecte huis, en wanneer ze dat gevonden heeft, de obsessie met de perfecte inrichting. Ook voor haar kreeg de zaak een existentiële dimensie: „Ik had een nieuwe badkamervloer. Omdat de vloer bestond uit originele porseleinen hexagonale tegels, had ik een nieuw leven.”

Het boek zal voor velen herkenbaar zijn, want de collectieve obsessie met ‘redecoration’ is bijna absurd. Toen ik laatst de tv aandeed waren er vier woonprogramma’s bezig, van VT Wonen, waarin elk huis meedogenloos grijsgroen wordt geschilderd en voorzien wordt van poefjes en tafeltjes, tot Eigen Huis en Tuin, waar dezelfde groepjes kleine, half overlappende bijzettafeltjes opduiken. (Waarom kopen mensen niet gewoon één iets groter tafeltje?)

Wat zegt het over onze tijd dat we niet twee, niet drie, maar vier woonprogramma’s tegelijk uitzenden? Het toont iets fundamenteels, dat moet wel. De woonprogramma’s zijn de plek waar onrust en huiselijkheid, beide horend bij het moderne leven, elkaar raken. We willen ons thuisvoelen, en om dat te bereiken hebben we nog een lange weg te gaan.

Dit is misschien een goed moment om te verklaren dat ik niks principieels heb tegen opruimen, klussen en schoonmaken. Ik heb zelf deze week mijn gordijnen gewassen, iets wat ik een maand geleden niet voor mogelijk had gehouden.

Maar als het gaat om onrustbestrijding, wil ik graag een alternatief onder de aandacht brengen. Een methode die ook werkt, en nog minder moeite kost. Daarvoor moet ik eerst terug in de tijd.

Op mijn tiende schreef ik brieven aan mijn oppas, die ik elke middag zag, maar aan wie ik kennelijk buiten deze ontmoetingen nog meer te vertellen had. Zij heeft al die brieven bewaard en onlangs aan me teruggegeven. Grappig genoeg gaan ze amper over wat ik heb meegemaakt op school of met vriendinnen; ze beschrijven vooral wat ik heb gegeten of nog ga eten, en nóg vaker wat ik precies hoor en zie in mijn huis. „Als je stil bent nu, hoor je toch allemaal geluiden. De klok die tikt, de verwarming, een auto en een vliegtuig. Mijn adem en mijn pen.”

Ik schreef de brieven ’s avonds, wanneer ik met mijn ouders in de woonkamer zat. Daar was het vooral erg stil, zo blijkt uit de teksten. „Buiten is het helemaal donker. Het is nu tien voor half negen. Papa is de krant aan het lezen en ik heb beelden voor me van de paaseischuimpjes, die weg zijn. Het is vreselijk stil en ik probeer de stilte zo nu en dan te doorbreken door ‘Ah’ te roepen en met mijn voeten te schuifelen. Het blijft stil. Ik krijg steeds meer trek in schuimpjes. Maar ze zijn spoorloos.”

Lees ook: Als je alleen woont, ligt eenzaamheid nu op de loer

Van mijn leven als tienjarige kan ik me vooral de bijzonderheden herinneren: vakanties, partijtjes, een bezoek aan McDonald’s. Het soort avonden beschreven in de brieven is denk ik te alledaags om te onthouden. Maar door die brieven, in het bijzonder door de zintuiglijke beschrijving van het huis waar ik sinds mijn tiende niet meer geweest ben, worden deze intieme, vergeten momenten haast tastbaar.

Als tienjarige was ik mijn tijd eigenlijk ver vooruit, denk ik nu. Ik was gewoon met mindfulness bezig!

Zoals zoveel mensen die met onrust kampen waag ik me soms aan een mindfulnessoefening, pogingen die meestal stranden in extra frustraties. Ik vind de oefeningen vooral ontzettend saai. Maar mindfulness is eigenlijk niks anders dan opmerkzaamheid – in het Duits heet het Achtsamkeit, een veel leukere naam. En waarom zou het zintuiglijk observeren van je huis eigenlijk niet precies zijn wat daaronder wordt verstaan?

Het is dag 18 van de semi-isolatie en ik luister naar de geluiden van mijn huis. De wind door de populier erachter, merkwaardig goed te horen, zelfs met de ramen dicht. Merels en duiven, de achterbuurman die belt. De stofzuiger van de bovenburen. In de woonkamer het getik van een slinger, nog van een verjaardag, die boven de verwarming hangt en door de opstijgende warmte heen en weer beweegt tegen de muur. Het zoemende geluid van een laptop. De bumpers van auto’s die over de verkeersdrempel voor het huis schrapen.

Ik maak aantekeningen, net als vroeger.

Ik ruik de geuren van mijn huis: koffie en schone was, de geur van vocht in de tochtige serre en de muffige lucht van oud hout en specerijen als ik de voorraadkast opendoe.

Ik kijk naar het licht van mijn huis: zonlicht dat weerkaatst op de gracht en tegen het einde van de dag heen en weer flikkert over het plafond. Ik moet aan Renate Rubinstein denken, die in een van haar columns beschreef hoe de zon reflecteerde op de balken.

Lees ook: Zes tips om veerkrachtig te blijven in een tijd van onrust

Ik kijk naar de vormen van mijn huis. Ik houd ervan als een huis eigenaardigheden heeft, zoals hier de overdreven lange, smalle woonkamer, het raampje tussen de badkamer en de keuken (waarvoor?), en een bizarre hoeveelheid deuren. Dat laatste realiseer ik me pas als ik het boek Thuis van Pieter Hoexum lees, waarin hij een hoofdstukje wijdt aan binnendeuren. Ik begin te tellen en kom in mijn huis tot negen, rijkelijk veel voor zo’n relatief klein huis. Mijn slaapkamer heeft er drie, alsof de architect het een basisbehoefte vond in alle richtingen te kunnen vluchten.

Het zijn dingen die me nu pas opvallen, net als het feit dat niet alle deuren en deurposten hetzelfde zijn, dat de vloer sinds ik er woon volledig van kleur is veranderd, en, gek genoeg, dat er een enorme terrastegel ligt in het halletje naast de voordeur. Hoe lang ligt die er al, en vooral: waarom? Geen idee. Als voorwerpen een bepaalde tijd op een plek liggen, hoe onlogisch ook, dan wordt dat hun plek – geen reden ze nog te verplaatsen. Zo is het ook gegaan met die slinger, want waar ik zei dat die er sinds ‘een verjaardag’ hangt, bedoelde ik een verjaardag zeven jaar geleden.

Wat zullen we ons later van deze periode herinneren? Waarschijnlijk de algehele sfeer en de meest opvallende momenten: een huilbui, een woedeuitbarsting, een dronken avond achter de videobelverbinding. Jonge ouders zullen zich de worstelingen met hun kinderen herinneren, en kinderen van oude ouders de bezorgde telefoongesprekken.

Lees ook: Let een beetje op jezelf, ook thuis

Maar dit is onze kans om ook het alledaagse vast te leggen: om stil te staan bij ons huis zoals het is als we ontbijten, de was doen, het laken om het bed spannen, de waterkoker volschenken. We kunnen de scheurtjes in de muren opmerken en zien hoe alles nét niet waterpas staat. We kunnen lachen om de ordening die zich eigenhandig heeft ontwikkeld: de koekjes bij de ontbijtborden, de kruiden bij de cocktailglazen. Waarom eigenlijk?

We kunnen beslissen alsnog alles om te gooien: die ouwe sofa eruit, nieuwe hoekbank erin, likje radicchio op de muren. Maar we kunnen het ook laten zoals het is – thuis voelen we ons toch al.