Recensie

Recensie Vormgeving

De Nederlandse architectuur is niet ‘supernormaal’

Architectuur Architectuurtijdschrift A+U heeft een special over architectuur in Nederland. Volgens gastredacteur Kirsten Hannema is er een tegenbeweging ontstaan voor de spektakelarchitectuur van ‘SuperDutch’.

Het bezoekerscentrum van ‘Park Paviljoen de Hoge Veluwe’, een gezamenlijk ontwerp van De Zwarte Hond en Monadnock
Het bezoekerscentrum van ‘Park Paviljoen de Hoge Veluwe’, een gezamenlijk ontwerp van De Zwarte Hond en Monadnock Stijn Bollaert

SuperNormal staat er op het omslag van nummer 592 van het prestigieuze Japanse architectuurtijdschrift A+U over de Nederlandse architectuur uit het tweede decennium van de 21ste eeuw. In haar inleiding op de selectie van negentien recente gebouwen in Nederland licht de Nederlandse gastredacteur Kirsten Hannema van de Nederland-special A+U toe wat ze hiermee bedoelt. Uiteraard is SuperNormal een toespeling op SuperDutch, de ‘conceptuele’ spektakelarchitectuur waarmee bureaus als MVRDV, Rem Koolhaas’ OMA en Ben van Berkels UN Studio omstreeks het jaar 2000 van Nederland het hipste architectuurland ter wereld maakten. In de jaren 2010-2020 kwam er een tegenbeweging op, schrijft Hannema, in de vorm van een groep verwante bureaus zoals Monadnock, Office Winhov, Hans van der Heijden en HappelCornelisseVerhoeven (HCVA). In hun werk spelen context, traditie, ambachtelijkheid en andere ouderwetse dingen die radicale modernisten op de mestvaalt van de geschiedenis hadden gegooid, juist de hoofdrol.

Met SuperNormal lijkt de tegenbeweging nu een naam te krijgen, hoewel bijvoorbeeld Monadnock een afkeer heeft van labels. „Noem ons geen beweging”, zei Job Floris van Monadnock onlangs in NRC, „want die valt al gauw ten prooi aan dogmatisme en moralisme, en daarvan hebben we ons juist bevrijd.”

Lees ook: ‘Het kan ook zonder dogma’s’

Geuzennaam

Maar of ze nu willen of niet – en ze willen nooit – vroeg of laat krijgen architecten met soortgelijke opvattingen, werkwijzes en interesses een groepsnaam. Alleen is supernormaal zelfs als geuzennaam ongelukkig gekozen. De naam wekt de indruk dat de tegenhangers van de SuperDutch-architecten doodgewoon en onopvallend werk afleveren. Maar zoals de door HCVA ontworpen nieuwbouw van museum De Lakenhal in Leiden uit 2019, die het omslag van het Nederlandnummer van A+U siert, al laat zien is het werk van de tegenpolen van de SuperDutchers verre van supernormaal. Zeker, met zijn ambachtelijk gemetselde bakstenen gevels sluit het nieuwe deel van De Lakenhal aan op de oude gebouwen in de Leidse binnenstad. Maar normaal, laat staan supernormaal, is de krachtige hybride van een Leids pakhuis en een miniversie van een oude wolkenkrabber uit Chicago beslist niet.

Ook het vorig jaar opgeleverde Park Paviljoen in het Nationaal Park de Hoge Veluwe is het tegendeel van supernormaal. Het paviljoen, een gezamenlijk ontwerp van De Zwarte Hond en Monadnock, is geïnspireerd door het Engelse landhuis van omstreeks 1900, zo blijkt uit het boekje dat de architecten over het Landhuis hebben gemaakt. Voor het interieur was de Woudkapel in Stockholm van de Zweedse architect Gunnar Asplund uit 1920 richtinggevend.

Park Paviljoen de Hoge Veluwe. Stijn Bollaert

Traditie en moderniteit

Toch lijkt het eindresultaat noch op een Engels landhuis noch op Asplunds Woudkapel. Het bezoekerscentrum op de Hoge Veluwe, dat vreemd genoeg in het Nederlandnummer van A+U ontbreekt, bestaat uit twee lange, gekromde bouwdelen met zadeldaken die doen denken aan twee boerenschuren pal naast elkaar. Alleen de kopse kanten zijn met hun geknikte gevels, die zijn voorzien van verticale ribben van baksteen of aluminium, echo’s van het asymmetrische Engels landhuis.

De sacrale, ronde ruimte met bovenlicht in Asplunds kapel keert terug in het paviljoen als een lang halfrond gewelf dat als plafond dient in het bouwdeel waarin de informatiebalie, winkel en het café-restaurant zijn ondergebracht. Maar sacraal is het tongewelf niet geworden. Aan het plafond hangen mede door BeerNielsen ontworpen ‘kroonluchters’, waarvan de lichtbronnen door gebogen lampenkappen een bladerdak op het plafond projecteren. Met zijn eikenhouten lambriseringen is het interieur zo een sprookjesbos geworden waar de bomen altijd bladeren hebben en uit kleine luidsprekers altijd getsjirp klinkt.

Zo is het Landhuis op de Hoge Veluwe, net als de uitbreiding van De Lakenhal, een gebouw geworden waarin traditie en moderniteit zijn versmolten tot een geheel dat het tegendeel van supernormaal is.