Opinie

Onjuistheden

Marcel van Roosmalen

Mijn wereld krimpt, het wordt kleiner en kleiner allemaal. Zondagochtend meldde de apotheker van de overkant van de straat zich aan mijn voordeur. Hij stelde zich voor als ‘de apotheker’. Ik had een paar dagen eerder één zin over zijn nering geschreven.

Eén zin met drie feitelijke onjuistheden, een persoonlijk record.

Het was niet rustig maar soms juist druk bij zijn apotheek, de werkstudent die hij had ingehuurd om de mensenmassa in goede banen te leiden woonde niet in de grote stad en het belangrijkste: hij had geen tent, maar een partytent voor zijn apotheek laten zetten.

Het verschil tussen een partytent en een gewone tent is evident. Een partytent is aan de zijkanten open, in een gewone tent heeft een virus vrij spel.

Wat moesten de andere apothekers in de veiligheidsregio daar wel niet van denken?

Ik hoopte hardop dat ze andere zorgen hadden.

Een dag later meldde ik me bij zijn voordeur.

Sorry, als ik eventueel te bot had gereageerd.

Ik moest binnenkomen.

Hij liet me een Statenbijbel, een kompas en een foto van zijn opa zien en verraste me met een uiteenzetting over het einde van de Tachtigjarige Oorlog toen er in Wormer en Jisp tweeduizend Spanjaarden zijn omgebracht.

Ik kreeg zin om in de tuin te werken. Dat doet iedereen hier nu. Met de oudste dochter maar weer naar de Vomar, heen en terug. Wat me opviel: de mensen komen hun joggingbroeken niet meer uit. Zelf heb ik daar ook moeite mee, maar ik controleer nog wel op vlekken. Benieuwd wanneer dat laatste stukje decorum sneuvelt, mijn haren kam ik ook al niet meer.

En ik vergeet telkens scheerschuim te kopen.

Op de weg naar huis kwamen we dat aardige jongetje uit haar klas en zijn moeder tegen.

Hij kwam naast ons lopen en vroeg aan mijn dochter: „Als jij geen corona hebt, en ik heb het ook niet, kom je dan bij ons warme chocolademelk drinken en marshmallows eten?”

Die moeder keek me tegelijkertijd vragend aan, de mond halfopen.

„Nee,” zei mijn dochter, „ik denk dat ik nog wat verkouden ben.”

Even verderop controleerde ik haar neusje op snot, het was brandschoon.

„Gelukkig,” zei ik, „anders hadden we naar dit gebouw gemoeten.”

Ik wees naar het pand van mijn nieuwe vriend, de apotheker.

„Er staat een witte tent voor”, zei mijn dochter.

Ik pakte haar bij de schoudertjes, zodat ze wist dat ik iets heel belangrijks ging zeggen.

„Een partytent,” verbeterde ik, „een partytent, hoor je dat?”

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.