Recensie

Recensie Film

Woody Allen in zijn biografie: olijk en laconiek, en verbitterd

Recensie autobiografie Indekken, klein maken, valse bescheidenheid: het hoort bij Woody Allen, die een icoon werd als neurotische schlemiel. Maar als hij begint over de jarenlange strijd met de Farrow-clan, zien we een heel andere Allen.

Er sijpelt in zijn autobiografie ‘Apropos of Nothing’ onwillekeurig woede, verbittering en zelfmedelijden door in Woody Allens laconieke proza.
Er sijpelt in zijn autobiografie ‘Apropos of Nothing’ onwillekeurig woede, verbittering en zelfmedelijden door in Woody Allens laconieke proza. Foto Faure Julien/Hollandse Hoogte Foto’s IMDb.

In de epiloog van zijn autobiografie Apropos of Nothing schrijft Woody Allen spijtig dat hij zoveel ruimte moet besteden aan de „valse aantijgingen aan zijn adres”. Anderzijds: „Het voegt een fascinerend element van drama toe aan een leven dat verder nogal routineus verliep.”

Daar zit wel iets in. Gelukkig is er de vechtscheiding met Mia Farrow, en die taaie beschuldiging van seksueel misbruik van pleegdochter Dylan. Voor het overige kijkt de 84-jarige filmmaker namelijk terug op een absurd succesvolle en gelijkmatige loopbaan. Een kwikzilveren Joodse humorist die een respectabel filmauteur werd van 55 speelfilms – elk jaar één – en vier Oscars won. Die een icoon werd als neurotische schlemiel, een rol waarin hij zich zo ingroef dat deze autobiografie zonder het schandaal zou weglezen als vierhonderd pagina’s triomf gemarkeerd door wegwerp-gebaren.

Indekken, klein maken, valse bescheidenheid: het hoort bij Woody Allen. Zijn succes berust op bluf, stelt hij. Hij is een poseur die liever strips las dan filosofie en zich alleen door Dostojevski ploeterde om die bloedmooie, rijzige sjikses met hun zwarte coltruien in bed te praten. Wat was hij graag Ingmar Bergman geweest, helaas is hij een kermisklant wiens amusante niemanddalletjes vreemd genoeg door al zijn idolen – Bergman, Groucho Marx, Tennessee Williams, Truffaut, Fellini – zeer worden gewaardeerd. Als ‘imperfectionist’ flanste hij zijn filmpjes onverschillig, slordig en gehaast in elkaar: zijn grootste zorg tijdens de opnames was of hij tijdig thuis zou zijn voor het honkbal op tv. Wint Annie Hall in 1978 vier Oscars, dan speelt Allen zoals elke zondag gewoon klarinet met zijn jazzcombo.

Maar voor iemand die zo onverstoorbaar zijn ding doet dropt Allen best veel namen. Op de thee in het Élysée vraag hij president Sarkozy of hij Carla Bruni mag lenen voor een rolletje in Midnight in Paris. Op bezoek bij Roman Polanski in Cap D’Antibes ontdekt hij tot zijn horreur dat hij in het paleis van de Russische oligarch Roman Abramovitsj is beland. Een gezegend glamourleven; dat maakt Allens voortdurende zelfdepreciatie vaak onuitstaanbaar.

Begint de loopgravenstrijd met de Farrow-clan, dan zien we een heel andere Woody Allen, die woest en verontwaardigd om zich heen schopt. Anno 2020 is hij aan de verliezende hand, persona non grata zelfs. Uitgever Hachette zag vorige maand na een staking van stafleden af van publicatie van deze autobiografie. Dat na fel protest van zijn – al dan niet biologische – zoon en nemesis Ronan Farrow. Ronan is de coryfee van #metoo sinds hij in 2017 in The New Yorker, eens het thuishonk voor Allens proza, de seksuele misdaden van filmmogol Harvey Weinstein onthulde. En waarom hij zich zo in die zaak vastbeet? Uitgeverij Arcade sprong overigens in het gat dat Hachette achterliet.

Inmiddels lijkt het legitiem, nobel bijna, om de oude Allen de mond te snoeren. Amazon Studio annuleerde zijn contract, zijn laatste twee speelfilms waren in de VS niet in bioscopen te zien. Acteurs die voor hem in de rij stonden, distantiëren zich nu geschokt van hem, een dappere minderheid – Alec Baldwin, Scarlett Johansson, Javier Bardem – neemt het nog voor hem op. Timothée Chalamet, Allens jongste alter filmego, doneerde het salaris van A Rainy Day in New York aan Time’s Up, de lobbygroep tegen seksueel misbruik. Een gering offer, schrijft Allen: filmsterren krijgen bij hem het minimumloon en Chalamet zou zijn zuster hebben verteld Allen te verketteren omdat hij dat jaar een Oscar hoopte te winnen.

Zo sijpelt in Apropos of Nothing woede, verbittering en zelfmedelijden onwillekeurig door in Woody Allens zo olijke en laconieke proza. Hij had iets meer steun verwacht van collega’s. „Niets overweldigends, hooguit wat georganiseerd protest, boze collega’s die arm in arm gehaakt over straat marcheren, relletjes, een enkele brandende auto misschien.”

Woody Allen klinkt vaak defensief in Apropos of Nothing. Romances tussen oudere heren en piepjonge meisjes spelen helemaal niet zo’n rol in zijn oeuvre, noch in zijn leven. Allen zelf had maar één zo’n romance, met tiener Stacey Nelkin toen hij 41 was. De inspiratie voor zijn filmhit Manhattan. En nee, hij was niet nijdig teruggevlogen naar New York toen de 17-jarige actrice Mariel Hemingway van Manhattan zijn uitnodiging voor een trip naar Parijs afsloeg. Dat was omdat hij zijn badkamer met Mariels vader moest delen. En nee, Harvey Weinstein was nooit zijn producer.

Bijna de helft van het boek gaat op aan de relatie met Mia Farrow, ‘leading lady’ in dertien films die hij als actrice nog steeds zegt te waarderen. Hun vreemd afstandelijke lat-relatie – Farow woonde met een sleep veelal gehandicapte adoptiekinderen aan de overkant van Central Park – eindigde met de beschuldiging van seksueel misbruik van hun gezamenlijke pleegdochter Dylan. Op 4 augustus 1992 zou Allen de toen zevenjarige Dylan bij een bezoek aan Farrows buitenhuis in Bridgewater, Connecticut vliegensvlug seksueel hebben misbruikt. Met Mia Farrow stond hij toen op voet van oorlog: zij had in januari zes pornografische polaroids van haar 21-jarige pleegdochter Soon-Yi Previn aangetroffen op de schoorsteenmantel van Allens penthouse.

Een bizarre zaak. Twee teams van experts – van de Yale-New Haven kliniek voor seksueel kindermisbruik en de New Yorkse kinderbescherming – kwamen na grondig onderzoek tot de conclusie dat Dylan niet was misbruikt – haar relaas was vaag, inconsistent en ingestudeerd. Toen Dylan de kwestie in 2014 oprakelde – Allens carrière zat na Blue Jasmine in de lift – was dat met weer nieuwe details. Een treintje dat rondreed tijdens het misbruik, Allen die de zevenjarige een liefdesvakantie naar Parijs beloofde. Net zo dubieus als de fameuze videotape uit 1992 waarop Mia Farrow de naakte Dylan een in elkaar geplakte en geknipte beschuldiging ontlokt. En net zo droevig.

De vraag is louter of Dylan dat misbruik zelf verzon onder druk van een „volatiele en ongezonde gezinsomgeving” of dat Mia Farrow haar coachte, verklaarde kinderpsycholoog John M. Leventhal indertijd voor de rechter. Toch stond Woody Allen indertijd vrij alleen en bleef dat zo. De geile oude bok die zijn ene dochter verleidde en de andere misbruikte: dat ‘discours’ overtuigde meer dan de razende moeder die haar kinderen als wapen inzet tegen een trouweloze ex.

In dit deel van het boek gaan alle remmen los. Woody Allen suggereert dat aanklager Frank Maco – later berispt omdat hij ten onrechte stelde dat hij een zaak tegen Allen had – een seksuele relatie had met Mia Farrow. Hij noteert dat rechter Elliott Wilk, die hem de voogdij over Dylan, Ronan en Moses niet gunde, bij een kennis seks eiste na een gunstig vonnis en vergelijkt hem met lynchrechter Roy Bean. ‘Anderen’ zagen hogere rechtvaardigheid toen Wilk overleed aan een hersentumor, aldus Allen.

Je kan meevoelen met Allens razernij over het succes van Farrows intriges, maar hier schrijft iemand anders dan de milde sukkel die we elders aantreffen. Zijn zelfmedelijden laat geen spoor van spijt of twijfel toe. Het wil er bij hem niet in dat hij de polaroids van Soon-Yi onbewust op de schoorsteenmantel liet liggen zodat Farrow ze zou vinden: „Soms is een klutz gewoon een klutz.” Of dat Soon-Yi, die een zeer hostiele relatie had met Farrow, met hem in bed dook om haar te treffen. Dat is misschien te veel gevraagd, maar Apropos of Nothing haalt wel erg nadrukkelijk de schouders op over de romance met Soon-Yi, een 33 jaar jongere vrouw die hem dertien jaar lang als een soort stiefvader moet hebben gezien. De relatie met Farrow lag op apegapen, het hart heeft zijn eigen redenen en bijna een kwart eeuw huwelijk bewijst dat de liefde oprecht is. Minimale zelfkritiek had Allens claim dat hij slachtoffer is van nieuw mccarthyisme geholpen.

Leeglopende bejaarde

Woody Allen noemt zichzelf in eerste plaats schrijver, en schrijven kan hij nog steeds. Aanvankelijk voert hij in Apropos of Nothing de act op van leeglopende bejaarde – „maar ik dwaal af, waar was ik alweer?” Het verhaal is levendig waar het over zijn jeugd gaat, zijn eerste successen en liefdes. Al lees je ook daar geen nieuws over Allan Stewart Konigsberg. De strenge, kille moeder, de charmant hosselende vader, het krappe huis vol liefde, gekrijs en slaande deuren: hij vertelde en verfilmde het vaker. Settelt Allens leven zich in middelbare routine van één film per jaar, dan verzandt zijn boek in een monotone parade van sympathieke en getalenteerde collega’s die hij ontmoet.

Woody Allen vermijdt introspectie of zelfkritiek. Hij zwemt als een haai voort om te overleven, vertelde hij bij een van de vier films waarover ik hem mocht interviewen. Steeds met het hoofd bij zijn volgende project. „Ik denk niet terug aan [mijn films], bekijk ze nooit opnieuw, bewaar geen souvenirs, foto’s of zelfs video’s”, schrijft hij. Maar die afkeer van terugkijken, van zelfbespiegeling, maakt deze autobiografie tot een wat holle collectie witzen, oneliners en gepolijste anekdotes – tot het opeens bittere ernst wordt. Een raar, onevenwichtig boek.

Woody Allen neigt ertoe gevoelens vacuüm te zuigen in ironie en sarcasme. Hij was zijn halve leven in therapie in de ijdele hoop zijn sombere, angstige en rancuneuze natuur te genezen, grapt hij. Toch stokt zijn zelfinzicht bij „zo zit ik nou eenmaal in elkaar” en schept hij op hoe handig hij therapeuten telkens om de tuin leidde. „Mijn tweede psychotherapeut was briljant, maar ook hem was ik gemakkelijk te slim af zodat ik veilig ongenezen bleef.”

Daarmee erkent Allen knipogend zijn angst voor kwetsbaarheid die zijn autobiografie zo handicapt. Wie weinig geeft, kan weinig terug verwachten. Zijn ongenaakbare houding verklaart misschien ook waarom hij faalde bij zijn pogingen tot ernstige, diep doorvoelde films – zie Interiors of September. En waarom deze autobiografie een holle, weinig overtuigende exercitie is. Woody Allen hangt zijn hele leven al de schlemiel uit opdat niemand hem voor een schlemiel zal aanzien. Dat verdraagt geen openheid of zelfkritiek, hooguit een simulatie daarvan.