Opinie

Oogverblindend

Ellen Deckwitz

In een poging om nog wat sociaal contact te hebben, dineer ik iedere avond per Skype met mijn zus en haar jongens (13 en 11) en dat wordt met de dag saaier, wat vooral komt doordat niemand nog iets meemaakt. „Vroeger betaalde je voor een retraite”, mopperde mijn zus gisteravond, „tegenwoordig is het gratis.”

„Nou ja”, zei ik, „retraites vond ik altijd al overschat, het komt er meestal toch op neer dat je in kleermakerszit je een paar dagen beter zit te voelen dan je medemens.”

„Terwijl je dat ook gewoon rechtop kan doen”, zei ze en begon af te ruimen. Mijn jongste neefje hing als een geknuppelde zeehond over de tafel heen (wat niet door een afterdinnerdip kon komen aangezien de maaltijden van mijn zus altijd de glycemische lading van kraanwater hebben).

„Ik verveel me”, kreunde hij, „en dan moeten we nog tot de zomer.”

„Dat is toch niet erg?”, zei zijn broer. „Verveling is het hoogst haalbare voor de mens. Het betekent dat je even niets hebt om over te piekeren, dat je een dak boven je hoofd hebt, je je geen zorgen hoeft te maken over eten, pijn of slaap. Het is het tegenovergestelde van angst.”

„Dan heb ik liever angst”, zei de jongste mokkend en ik moest even denken aan Schopenhauer, die zei dat het leven pendelt tussen leed en verveling. Voor mijn neefje waren die twee zo goed als inwisselbaar.

„Ik zei niet dat verveling per se leuk is”, vervolgde de oudste, „maar het is wel wat je als mensheid probeert te bereiken, namelijk de afwezigheid van echt nare dingen.”

‘Ja”, mengde hun moeder zich in het gesprek, „eigenlijk draait evolutie om veilig zijn, dat je de tijd over hebt om je genen lekker door te geven. Wat we dus verveling noemen is de schaduwzijde van dit veilig zijn. De schaduwkant van gevoed zijn, gezond zijn, beschut zijn.”

Misschien, dacht ik, dat de mens daarom hobby’s heeft, om toch nog maar wat te kunnen bereiken, om nog aan iets anders toegewijd te zijn dan overleven. Ik keek om me heen, was omringd door tal van vrijetijdsbestedingen: boeken, planten, huisdieren, games, schildersspullen en toch voelde ik me lusteloos. Er schoot me een citaat uit Terry Pratchetts roman Berevaar te binnen, waarin de Dood zich verwondert over de mens, dat deze in een universum dat uitpuilt van de wonderen het alsnog presteert om zich te vervelen. Dat zegt misschien niets, dacht ik, over wonderen, maar over veiligheid. Dat we haar allemaal nastreven en dat ze, eenmaal bereikt, zo verblindend is dat je geen oog meer hebt voor overige mirakels, dat de verveling haar allemaal in haar schaduw stelt.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.