Het ‘noodplan’ voor digitaal thuisonderwijs dat Eva Naaijkens en haar team maakten werd 40.000 keer gedownload.

Foto Bart Maat/ANP

Interview

Na twee weken thuisonderwijs zijn de verschillen uitvergroot

Eva Naaijkens | schoolleider De Amsterdamse Alan Turingschool is een gemengde school. Vorige week maakten de schoolleiders een inventarisatie: 28 van de 190 leerlingen bleken nauwelijks met het thuisonderwijs mee te kunnen doen.

In een vrijwel lege Alan Turingschool in de Amsterdamse wijk Wittenburg komen een paar kinderen binnen na het buitenspelen. Het zijn kinderen van ouders met een vitaal beroep én kinderen die de school met thuisonderwijs niet kon bereiken: kinderen die zich niet meldden in klassenbijeenkomsten op Zoom, geen opdrachten inleverden en met wie het telefonisch moeilijk contact krijgen was.

„We hebben vorige week een inventarisatie gemaakt”, zegt schoolleider Eva Naaijkens (46). Ze kwamen uit op 28 van de 190 leerlingen die nauwelijks met het thuisonderwijs meedoen. Er zitten ook kinderen bij van wie ouders zelf zeiden dat het moeilijk gaat thuis. Omdat er een pasgeboren baby is of veel spanningen zijn. Deze kinderen mogen tussen 9.00 en 11.30 uur de opdrachten op school maken. Onder begeleiding van een leerkracht, op ruime afstand van elkaar. „Dat voelt een beetje alsof we iets illegaals doen”, zegt Naaijkens, „maar het is kiezen tussen twee kwaden”.

Naaijkens was al een bekende schoolleider. Ze schreef het onder leraren veel gelezen en bekroonde boek En wat als we nu weer eens gewoon gingen lesgeven?, met Martin Bootsma. Samen richtten ze in 2016 de Alan Turingschool op. Sinds de coronacrisis zijn er misschien nog wel meer leraren die haar naam kennen. Het ‘noodplan’ dat ze met haar team maakte voor afstandsonderwijs werd veel gedeeld via WhatsApp en Twitter en is 40.000 keer gedownload.

Dat delen gebeurde al vóórdat de scholen op 16 maart dichtgingen. Naaijkens en haar team vergaderden er al een week eerder over. Dat kwam, zegt ze, doordat ze een broer heeft die in Spanje woont en al in thuisquarantaine zat. „Achteraf gezien was dat heel waardevol, want het bleek een van de laatste keren dat we met het hele team bij elkaar waren.”

Na twee weken ervaring kan Naaijkens voorzichtig de balans opmaken. Ze wil geen negatieve verhalen vertellen: leraren steken veel energie in het afstandsonderwijs, veel leerlingen stoppen creativiteit in hun opdrachten. „Maar ik wil ook reëel zijn. We proberen mooi onderwijs te geven, maar bereiken nog geen 40 procent van het normale resultaat.” 

We bereiken nog geen 40 procent van het normale resultaat

Eva Naaijkens schoolleider

Naar verwachting maakt het kabinet dinsdag bekend dat de scholen niet op 6 april weer open gaan. Dat betekent dat leraren hun ambacht – uitleggen, contact maken, controleren of een leerling het begrijpt – nog langer niet goed kunnen uitvoeren. „We moeten accepteren dat de meest cruciale impact nu van ouders komt.”

Dat maakt dat verschillen worden uitvergroot. De Alan Turingschool is een gemengde school: hoog- en laagopgeleid, wit en zwart, rijk en arm zitten door elkaar. „Daar ben ik trots op. Maar het speelt ons nu ook een beetje parten. Normaal konden we middelen.” De school koos er in eerste instantie voor lesstof alleen te herhalen, maar gaat nu stapje voor stapje toch nieuwe lesstof aanbieden. „Je wilt leerlingen ook niet afremmen. Je wilt niemand tekortdoen.”

De organisatie van het onderwijs is goed, zegt Naaijkens: de taken zijn verdeeld, leraren die zelf jonge kinderen hebben, worden wat meer ontzien. Maar in de uitvoering, zegt ze, ben je afhankelijk van allerlei zaken. Internetverbindingen (vaak instabiel), de vraag of ouders kunnen helpen of niet (spreken ze de taal?). Er zijn onveilige thuissituaties. Kinderen die een computer delen met hun broertjes of zusjes en er dus niet de hele dag toegang toe hebben. Kinderen die in heel kleine ruimtes wonen. „Een deel kan gewoon niet meedoen. We zitten er eindeloos achteraan, soms met het wijkteam. Maar we kunnen er niet zoveel aan doen.”

Dat besef zorgde vorige week even voor een dip, zegt ze. „Dat je sommige kinderen niet bereikt, is emotioneel zwaar. Als kinderen niet aan het werk zijn, kan dat een signaal zijn dat het niet goed met ze gaat. ”

Wat als deze situatie nog heel lang voortduurt? Over de meeste leerstof maakt ze zich niet zo’n zorgen. „We kunnen in korte tijd een enorme inhaalslag maken. Naarmate dit langer duurt, kost dat natuurlijk wel meer tijd.” Ze heeft al gedacht: als het nieuwe schooljaar nou eens in januari zou beginnen? „Dan hebben alle kinderen een paar maanden extra. En kunnen we ervoor zorgen dat alle kinderen overgaan.”

Haar grootste vrees ligt bij groep 7: hoe zorg je ervoor dat die op het goede niveau uitstromen naar de middelbare school? „Daarvoor moeten we alle zeilen bijzetten. Misschien moet een deel van groep 7 het jaar overdoen. Ik ben niet bereid te accepteren dat leerlingen hierdoor de rest van hun onderwijscarrière schade oplopen.”