Foto Annabel Oosteweeghel

Zangeres Karsu Dönmez met haar vader Aslan: ‘Wij houden niets voor elkaar geheim’

Dubbelinterview Karsu Dönmez, zangeres en pianiste, stond op haar zeventiende al in Carnegie Hall in New York. Het begon met optredens in het restaurant van haar vader. „Wat zou opa hiervan hebben gevonden? Dat vraag ik me weleens af.”

We waren een jaar of vijf getrouwd”, zegt Aslan Dönmez, „en toen begon mijn vrouw over een kind. Wat? Een kind? Nee! Geniet van het leven, het duurt maar even.” Hij buigt zich over de tafel naar ons toe. „Maar vrouwen zijn slim, hè. Waren we lekker samen uit eten, zei ze: verplaats je in je vader, een familie hebben is fijn. Wat? Mijn vader? Die heeft dit en dit en dit fout gedaan, hij heeft me geslagen en geen muziekinstrument voor me gekocht, en dan ga ik… Ja, zei mijn vrouw, dat gaan wij anders doen. Hypnotiseren was het, tot ik zei: oké, dan gaan we ervoor.”

Hij kijkt naar zijn dochter, die verveeld tegen de leuning van de bank hangt. „Negen maanden later kwam zij, op de verjaardag van haar oma. Zij was het cadeautje.”

„Heel interessant, hoor”, zegt Karsu. „Maar ik ken de verhalen en ik weet al wat jullie gaan vragen: wat heb je van je vader? En dan denken jullie: muzikaliteit.”

Ze is zangeres en pianiste, klassiek, pop, jazz, world. Beroemd sinds ze op haar zeventiende in Carnegie Hall in New York stond. Vanaf haar veertiende trad ze op in het Turkse restaurant van haar vader aan de Ceintuurbaan in Amsterdam. Haar ouders zijn haar managers.

Aslan: „Mijn geboortedorp heet Karsu en mijn vader was een man van aanzien, als burgemeester en heer van de streek. Daarom moesten wij, zijn zes kinderen, een voorbeeld zijn voor andere kinderen. Beleefd, respectvol. Mijn ouders waren moslim, maar niet praktiserend. Ze waren progressief, en toch legde mijn vader mij dwingend zijn normen op. Zo’n vader wilde ik dus nooit worden. Mijn vrouw studeerde onderwijskunde, aan de universiteit, in Nederland. Toen ze zwanger was van Karsu hadden we al abonnementen op vijf opvoedbladen. Onze dochters” – Karsu heeft een jongere zus – „gingen op zwemles en ballet, op muziekles en theaterles. We lazen jullie voor.”

Karsu: „Máma las ons voor, Jip en Janneke, Pluk van de Petteflet. Maar jij, als je een avond vrij had van het restaurant, jij gooide de boeken aan de kant en ging zelfverzonnen verhalen vertellen. Er was eens…”

Aslan: „Altijd over een rijke en een arme, of een sterke en een zwakke, en dat ze elkaar hielpen. We hadden theaterspullen in huis en als we niet naar buiten konden door de regen, dan hoefden jullie je niet te vervelen. Dan speelden we met jullie.”

Karsu: „Je moet even tegen ze zeggen wat je van je beroep bent.”

Aslan, onverstoorbaar: „We gaven jullie alle mogelijkheden om je te ontwikkelen en talen te leren spreken, iets waar ik heel jaloers op ben, en we leerden jullie ook… nee, Karsu, laat me uitpraten… dat je in dit land te maken zou krijgen met discriminatie, en dat jullie daarom moesten laten zien dat wij altijd keihard hebben gewerkt, en dat buitenlanders niet per definitie luie en criminele uitkeringstrekkers zijn, dat wij goede mensen proberen te zijn, wereldburgers.”

Karsu, tegen ons: „Mijn vader is opgeleid tot jongerenwerker.”

Aslan: „Op die manier hebben we jullie zelfvertrouwen aangeleerd en nu hebben we twee zelfbewuste dochters, die weten dat niemand minder is dan zij, maar ook niet méér, en toen jij bij de koningin was, Karsu, koningin Beatrix…”

Karsu: „Maar papa…”

Aslan: „…om voor haar te zingen en ik daar toch wel een beetje van onder de indruk was” – hij doet alsof hij siddert van ontzag – „en jij tegen me zei: een koningin gaat ook gewoon naar de wc, tóén dacht ik: oké, het is gelukt, opvoeding geslaagd.” Hij leunt tevreden naar achteren.

Karsu: „Maar papa…”

Aslan: „Ja?”

Karsu: „Je hebt nu twee succesvolle dochters die altijd heel erg hun best hebben gedaan om iets te bereiken” – Karsu’s zus is grafisch vormgeefster, fotografe en zwemlerares – „maar wát als wij er met de pet naar hadden gegooid?”

Aslan: „Ja, kijk, als ouders kun je veel vormen, maar 100 procent garantie heb je natuurlijk nooit.”

Karsu: „Als wij alleen maar de hele dag hadden willen gamen, papa, wat had je dan gedaan? Geef eens antwoord.”

Aslan: „Ik zou jullie in elk geval nooit hebben verplicht om die en die weg in te slaan, zoals mijn vader bij mij deed.”

Karsu: „O nee?”

Aslan: „Nee.”

Karsu: „Nou, ik wel. Mocht ik ooit een kind hebben en het zou de hele dag gaan zitten gamen, dan zou ik zijn kop eraf hakken.” Ze lacht. „Nou ja, ik zou hem aan zijn haren trekken en dwingen om wat anders te doen.”

Aslan: „Nee, hoor.”

Karsu: „Jawel, papa, dat zou ik echt doen. Ik zou heel streng voor hem zijn.”

Aslan: „Nee!”

Karsu: „Ja!”

Aslan: „Nee!”

Foto Annabel Oosteweeghel

Ze kijken elkaar een paar seconden boos aan, waarna de vader begint te glimlachen en tegen zijn dochter zegt: „Oké, Karsu, ik respecteer je standpunt.”

Restaurant Dauphine bij het Amstelstation in Amsterdam. Karsu bestelt een broodje vitello tonnato. Aslan neemt een clubsandwich en wil die graag met ons delen als hij ziet dat de tosti op ons bord kleiner is.

We vragen waarom hij is weggegaan uit Turkije. „Ik was socialist”, zegt hij. „Of eigenlijk communist, en ik had me ontwikkeld tot leider van de studentenbeweging. Het was de communisten tegen de fascisten. Na de militaire coup van 1980 werd ik voor de zoveelste keer gearresteerd, en zat ik drieëndertig dagen in een cel.”

Karsu, rechtop: „Je werd gemarteld.”

Aslan: „Ik ben gemarteld, ja. Door de macht van mijn vader ben ik vrijgekomen, binnen een week moest ik het land uit. Omdat mijn vader hier familie had, ben ik naar Nederland gestuurd en ontmoette ik je moeder. Ik ben door haar ouders liefdevol opgevangen en ben op alle manieren geholpen, maar de eerste jaren” – hij kan een snik niet onderdrukken – „had ik geen enkel houvast. Je komt in een wereld waar je helemaal niets weet en alles totaal anders is dan in het dorp waar je vandaan komt.”

Karsu, tegen ons: „Moet je je voorstellen… ik ben op mijn zestiende in mijn eentje naar Amerika gegaan, Amérika, daar had ik al totaal geen houvast. En dat was maar voor tien dagen.”

Aslan: „Je denkt aan je moeder, je vader, je vrienden, je school, je leraren. Je denkt zelfs aan je vijanden en mist ze verschrikkelijk. Je bent altijd bang, want je bent illegaal. Dankzij een docent op de Sociale Academie die me steunde kon ik weer studeren. Hij zou me waarschuwen als ze zouden komen om me op te pakken en het land uit te zetten. Hij zorgde ervoor dat ik een paar honderd gulden steun kreeg.”

Karsu: „Je had dus wel studiefinanciering.”

Aslan: „Nee, Karsu, geen studiefinanciering. Het kwam uit een speciaal potje van de school. Van opa” – de vader van zijn vrouw – „kreeg ik 10 gulden per week zakgeld. Al zijn zes kinderen kregen een tientje zakgeld per week en ik kreeg dat ook. Hij behandelde me als zijn zevende kind.”

Karsu: „Een tientje, was dat veel?”

Aslan: „Heel weinig. Maar voor opa was het veel, zeven tientjes per week op een maandsalaris van 1.700 gulden netto.” Hij zucht. „Er waren dagen dat het me emotioneel, rationeel, financieel en juridisch te zwaar werd, en dat ik dacht: misschien is de dood een betere oplossing. Het was dat ik mijn ouders geen pijn wilde doen.”

Karsu kijkt hem onderzoekend aan en zwijgt.

Aslan: „De nacht van de coup – om vier uur ’s nachts hadden militairen het dorp omsingeld, en daarna ons huis, en toen ben ik een akker op gevlucht. En toen hebben ze… hebben ze…”

Karsu: „Zal ik verder vertellen, papa?” Tegen ons: „Ze hebben zijn broer opgepakt.”

Aslan, gesmoord: „Mijn vader.”

Karsu: „Je vader?”

Aslan: „Mijn broer hebben ze in elkaar geslagen, omdat ze dachten dat ik het was.”

Karsu: „Jullie lijken op elkaar. En jij hoorde op die akker dat ze de verkeerde hadden meegenomen.”

Aslan: „Mijn vader, ja. Mijn moeder had een klein jongetje uit onze familie naar me toe gestuurd en hij riep: ze hebben je vader afgevoerd. Toen ben ik naar de kazerne gegaan en daar zag ik mijn vader zitten, zogenaamd relaxed, met de commandant. Die zei tegen hem: sorry, meneer Dönmez, dat we u hier even als gast moesten ontvangen, u kunt nu gaan, maar u bent altijd welkom. Mij hebben ze in de cel gegooid.”

Karsu: „En gemarteld.”

Aslan: „Ja.”

Karsu, na een stilte: „Ik vraag me af, in jouw situatie, had ik hetzelfde gedaan? Ik bedoel, ik heb ook idealen, maar zou ik ook zo ver gegaan zijn als jij om ze te verdedigen?” Ze schudt nee.

Aslan: „Karl Marx zegt dat strijdlust mede wordt bepaald door de sociaal-psychologische en economische omstandigheden waarin mensen verkeren. Jij bent in een totaal andere wereld opgegroeid dan ik zestig jaar geleden, Karsu.”

‘Zou ik ook zo ver gegaan zijn als jij om mijn idealen te verdedigen?’
Karsu Dönmez

Foto Annabel Oosteweeghel

Karsu: „Ja, ja, dat weet ik wel.”

Aslan: „Dat deel van Turkije, helemaal in het zuiden, in die tijd, het was zo achtergesteld.”

Karsu: „Je bedoelt dat je niets te verliezen had?”

Aslan: „Ja! Dat bedoel ik.” Hij gooit zijn handen in de lucht. Karsu zet eerst de vaas en dan zijn cappuccino opzij. Aslan: „Ik had niets te verliezen. Ik heb mijn leven van diep onder nul helemaal zelf opgebouwd. In zes maanden Nederlands geleerd, toelatingsexamen gedaan voor de Sociale Academie, me als illegaal gehandhaafd tussen de studenten die hier geboren waren en voor wie alles vanzelfsprekend was: de taal, de welvaart, de veiligheid. Ik ben er bijna aan onderdoor gegaan, maar ik heb gewonnen.”

Hij kijkt op zijn telefoon, het ene na het andere bericht komt binnen. Fans, familie, uitnodigingen, verzoeken. Hij probeert ze allemaal te beantwoorden, zegt hij, maar eigenlijk is het geen doen, het gaat de hele dag door. Karsu, tegen ons: „Als jullie willen weten wat ik van mijn vader heb, dan is het zijn wilskracht en zijn zakelijkheid. Ik heb een enorme wilskracht, en ik ben heel zakelijk. Snel, duidelijk, hard.”

Aslan: „Te hard.”

Karsu: „Dat heb ik dan van mijn moeder. Mijn vader vindt altijd dat je moet onderhandelen als je het niet met elkaar eens bent, dat je er samen uit moet zien te komen. Maar luister, ik ben een Turks meisje, klein van stuk…”

‘Op tournee maak ik vaak mee dat vier van die grote mannen het zó willen en dan zeg ik: o ja? Ik wil het níet zo’
Karsu Dönmez

Aslan: „Geen stempel opplakken, Karsu. Ik heb altijd tegen je gezegd dat je nooit een stempel op jezelf moet plakken.”

Karsu: „Dat doe ik ook niet, papa. Het zijn gewoon feiten. Ik ben klein, ik ben jong, ik ben Turks. Mensen verwachten niet van mij dat ik een goedlopend muziekbedrijf heb.”

Aslan: „Mag ik je nog een tip geven? Het is niet jóúw bedrijf. Het is óns bedrijf. Wíj doen dit.”

Karsu: „Zo denk jij, ja. Ik ben het niet met je eens. Ik ben blij met jou en met mama, en ook met mijn zusje, maar in mijn werk heb ík de touwtjes in handen.”

Aslan, tegen ons: „Zoals zij nu doet tegen mij, zo deed ik ook altijd tegen mijn vader. Dus ik begrijp het wel. Ik respecteer het.”

Karsu, onverstoorbaar: „Op tournee of bij concerten maak ik vaak genoeg mee dat drie of vier van die grote mannen om me heen het zó willen en dan zeg ik: o ja? Ik wil het níet zo, en ik zal jullie eens laten zien wie hier de baas is.”

Aslan lacht.

Karsu: „Ja, lach maar. Ik ben…”

Aslan: „Jij bent…”

Karsu: „Mag ik even? Jij houdt net een eindeloos betoog en toen was ik stil, nu ben ik aan de beurt. Ik wilde zeggen dat ik net als jij ben, of nee, als mijn moeder. Eigenwijs. Feministisch. Maar ook kunnen toegeven. Mijn moeder is het altijd met me eens, maar ze zegt wel: waar was dat drama nou voor nodig?”

Aslan lacht en zwijgt.

Karsu: „In onze familie, wij kunnen alles tegen elkaar zeggen en alles met elkaar doen. Ik beschouw mijn vader en moeder als mijn beste vrienden.”

Aslan: „Wij houden niets voor elkaar geheim.”

Karsu: „Ik zit serieus te denken, wat bespreek ik níet met hen? Ik kan niets bedenken.”

Karsu’s zus woont nog thuis, Karsu is een paar jaar geleden gaan samenwonen met haar vriend. Hij is ook Turks en komt uit dezelfde streek als haar ouders. Ze kennen elkaar van de middelbare school in Nederland.

„Wij hoeven elkaar niets uit te leggen”, zegt Karsu. „Neem vandaag, ik heb het druk, en vanavond krijgen we visite. Als ik heel Hollands was geweest, had ik gezegd: kom, we gaan in een restaurantje eten. Maar ja, het zijn Turkse mensen, en mijn vriend en ik zitten dan op één lijn: die moet je thuis uitnodigen.”

Aslan knikt.

‘We hadden ’t verdiend, pap. We werken tachtig uur in de week’
Karsu Dönmez

‘Een kapitalistische redenering’
Aslan Dönmez

Karsu: „Ik heb het dilemma ook aan mijn ouders voorgelegd en zij zeggen: maak het jezelf niet te moeilijk. Alleen, ik wil graag appeltaart bakken, lekkere Hollandse appeltaart.”

Aslan: „En ik zeg: je kunt toch ook baklava halen?”

Karsu: „Hollandse appeltaart is leuker voor onze gasten.”

Aslan: „Maar meer werk.”

Karsu: „Daar heb je dus wel een punt, papa. Ik denk dat het baklava wordt. Maar mijn Hollandse appeltaart is wel de beste die er is, hè.”

Aslan, tegen ons: „Ze kan echt goed koken.”

Karsu: „Koken is ons gezamenlijke ding. Ik neem mijn ouders ook mee naar chique tenten, laatst naar Sushisamba bij het Leidseplein, voor de verjaardag van mijn zusje.”

Aslan: „Na onze laatste tournee door Turkije zijn we naar een toprestaurant in Istanbul geweest, met een Michelinster. Omdat ze Karsu daar overal kennen hadden ze een speciaal menu voor ons samengesteld, twaalf gangen. Heel lekker, heel ambachtelijk, intensieve arbeid voor elk hapje. Toch zeg ik: het was eens maar nooit weer.”

Karsu: „Jij voelde je schuldig.”

Aslan: „Ja, best wel. Al dat geld, ik kan het betalen, maar ik kan er beter iemand die het nodig heeft blij mee maken.”

Karsu: „We hadden het verdiend, pap. We werken tachtig uur in de week.”

Aslan: „Een kapitalistische redenering.”

Karsu: „Je liet de ober wel een nieuwe fles wijn openmaken omdat je de eerste niet lekker vond.”

Aslan: „Dat is wat anders. Dat gaat over kwaliteit.”

Karsu, tegen ons: „Ik ben in de keuken opgegroeid, hè. Uit school gingen mijn zusje en ik altijd naar papa’s restaurant. Op ooghoogte zag ik toe hoe de kok de peterselie sneed.”

Aslan opende zijn eerste restaurant in 1993 in de Jordaan in Amsterdam. Een paar jaar later probeerde hij een hotel in Turkije – het mooie weer, de heimwee – maar hij had, zegt hij, al snel in de gaten dat dit geen land was waar hij zijn meiden wilde laten opgroeien. „Ik moest niet egoïstisch zijn.”

Begin 2001 begon hij het restaurant op de Ceintuurbaan, Kilim. „Zware jaren. We gingen van de gulden naar de euro, een enorme klap voor de horeca. We kregen 11 september, Pim Fortuin, Theo van Gogh. Mensen legden een link tussen moslims en terroristen en gingen liever naar een Grieks of Frans restaurant. Die politieke moorden hebben mij kapotgemaakt.”

Tijdelijk dan, want toen begon de carrière van Karsu dus.

„In Turkije”, zegt Aslan, „is Karsu nu groot. Ze is zo populair, ongelooflijk, vooral de laatste maanden, na onze laatste tour, zalen van duizend, tweeduizend mensen, allemaal uitverkocht, tv, radio…”

Karsu: „Maar in Karsu ben jij heel groot, papa. Het aanzien dat jouw vader daar had, heb jij nu. Daar zeggen ze tegen mij: o, jij bent de dochter van. Dan krijg ik de verhalen te horen: jouw vader kon rennen joh, zó hard, op de vlucht voor de politie.”

Aslan: „Weet je nog dat we door de president werden ontvangen? Jij zat aan tafel naast koningin Beatrix en ik dacht: ooit zat ik hier in de gevangenis en nu zit mijn dochter in het paleis, de hoogste plek van de Turkse republiek.”

Karsu: „Wat zou opa ervan hebben gevonden dat de familie zó is teruggekomen. Dat vraag ik me weleens af.”

Aslan heeft zijn restaurant net verkocht. Hij zou nu, zegt hij, best zelf opa willen worden.

Karsu: „Mijn moeder zegt ook: je bent bijna dertig hè? Maar ik weet niet of ik het wil. Met mijn vrienden heb ik een discussie: is het hebben van een kind nou egoïstisch, of is het níet hebben van een kind juist egoïstisch? Waarom zou je het wél doen? Zodat je zelf iets hebt om voor te zorgen? No offence, pap. Ik kan nu lekker mijn eigen leven indelen. Ik heb veel vrijheid, een vriend, een huis, een kat, mijn eigen auto, een fiets. Als ik kijk naar mijn nicht… zij heeft kinderen en haar vrienden hebben ook allemaal kinderen, tsja, dan ziet je zondagmiddag er heel anders uit. Ik kan gewoon tegen een vriendin zeggen: Let’s go to New York.”

Gaat haar vader oppassen?

Aslan: „Dat is zeker bespreekbaar.”

Karsu: „Ik zou mijn kind blind aan jou en mama toevertrouwen. Doen jullie de opvoeding maar.”