Toetanchamons dood preciezer gedateerd

Oudheidkunde Klassieke dateringsproblemen, zoals het sterfjaar van Toetanchamon, kunnen worden opgelost met een regionale aanpassing van de 14C-methode.

Gemummificeerd hoofd van Toetanchamon, gestorven rond het jaar 1317 v.Chr en gefotografeerd in 1925 door Harry Burton (1879 - 1940), drie jaar na het openen van het tot dan toe ongeschonden graf van deze Egyptische farao.
Gemummificeerd hoofd van Toetanchamon, gestorven rond het jaar 1317 v.Chr en gefotografeerd in 1925 door Harry Burton (1879 - 1940), drie jaar na het openen van het tot dan toe ongeschonden graf van deze Egyptische farao. Foto Harry Burton / The Griffith Institute Oxford

Koolstofdateringen in het zuidelijke Middellandse-Zeegebied moeten voortaan iets anders worden berekend dan in het noordelijke deel. Daarmee kunnen klassieke dateringsproblemen worden opgelost, zoals het precieze sterfjaar van Toetanchamon en het jaar van de vulkaanuitbarsting op Santorini. Dit idee van een 14C-verschil tussen verschillende gebieden bestaat al langer, maar nu heeft de archeoloog Sturt Manning (Cornell University) samen met een internationaal team van dateringsdeskundigen het verschil daadwerkelijk teruggevonden in allerlei dateringsafwijkingen die oudheidkundigen tot nu toe beschouwden als ruis of als gevolg van verschillende laboratoriumpraktijken. Volgens Manning zijn die verschillen veel beter verklaarbaar uit de gedateerde houtsoort, het verschillende groeiseizoen van dat hout en daarmee dus ook de regio, zo schrijft hij samen met zijn team op 18 maart in Science Advance.

De diepere verklaring voor deze nieuwe kalibratie, zoals dit soort 14C-preciseringen worden genoemd, ligt in de verschillen tussen vegetatiezones. Bomen op noordelijke breedtes, zoals in Duitsland of in de Verenigde Staten, nemen koolstof op van april tot en met september terwijl dat in de zuidelijke Levant gebeurt van oktober tot en met april. Dit levert kleine maar niet verwaarloosbare verschillen op. Enkele aloude dateringsproblemen blijken zo schijnproblemen, ontstaan door de nu onjuist gebleken aanname dat er slechts één kalibratiecurve was.

Een klassieke kwestie is de datering van het graf van de Egyptische farao Toetanchamon, voor wiens dood verschillende jaartallen rond 1325 voor Christus werden genoemd. Deze waren gebaseerd op geschreven bronnen en die pasten slecht bij de koolstofdateringen van het hout uit dit koningsgraf. Dit probleem verdampt nu. Door rekening te houden met het regionale patroon blijken de koolstofdateringen beter in lijn met de informatie uit de bronnen. De nieuwe gekalibreerde 14C-datering is nu 1317 v.Chr. plus of min 20 jaar.

Een tweede succes betreft de datering van de uitbarsting van de vulkaan op Santorini, een vraagstuk waarbij opnieuw twee soorten bewijsmateriaal conflicteerden. Aardewerkdateringen suggereerden dat deze gebeurtenis, die grote verwoestingen op Kreta veroorzaakte, plaatsvond rond het midden van de zestiende eeuw v.Chr., terwijl koolstofdateringen duidden op het einde van de zeventiende eeuw v.Chr. Manning geeft nog geen nieuwe precieze datering, maar met zijn nieuwe kalibratie lijkt de 14C-datering richting 1600-1550 v.Chr. te gaan, hetgeen de hoogste aardewerkdatering (1550) nadert.

Het Griekse eiland Santorini bestaat uit de resten van de ontplofte caldera van wat voor ca. 1500 v. Chr. nog een grote vulkaan was. Foto Hans Stockfotografie

IJslaagjes op Groenland

Een probleem dat Manning in de Santorini-kwestie overigens niet noemt, is dat al sinds 1988 wordt gedacht dat deze vulkaanuitbarsting ook is gedocumenteerd in de jaarlijks aangroeiende ijslaagjes op Groenland, áls Santorini tenminste uitbarstte in de zeventiende eeuw v.Chr. Ook enkele in Babylonische kleitabletten vermelde astronomische observaties suggereren dat er toen veel stof in de atmosfeer was. Met de nieuwe datering van de Santorini-uitbarsting kan de in de ijslaagjes en kleitabletten gedocumenteerde uitbarsting echter niet langer worden geïdentificeerd met die van Santorini.

Bij koolstofdatering, zoals die al sinds de jaren vijftig wordt toegepast, stellen archeologen aan de hand van radioactief verval vast wat de ouderdom is van opgegraven organisch materiaal. Wanneer een organisme sterft, stopt het met ademen en komt een einde aan de opname van koolstof, inclusief de radioactieve variant die bekendstaat als koolstof-14 (14C). Datering van dat materiaal is vervolgens mogelijk door twee factoren. De hoeveelheid 14C in de atmosfeer is min of meer constant en door radioactief verval halveert de hoeveelheid 14C in het materiaal iedere 5.736 jaar. Met die twee gegevens is de verlopen tijd sinds de dood van een organisme te berekenen uit de hoeveelheid 14C die het nog bevat. Maar al sinds de jaren zestig is bekend dat er door de eeuwen heen juist wel een grillige variatie is geweest in het 14C-gehalte van de atmosfeer. Het proces van radioactief verval dat met de dood inzet, begint daardoor nu eens op een hoger en dan weer op een lager 14C-niveau. Voorwerpen worden daardoor te jong of te oud gedateerd.

Archeologen ijken een koolstofdatering daarom aan de hand van de zogeheten kalibratiecurve, die in feite niets anders is dan een rekenhulpje om de gemeten ouderdom om te zetten naar kalenderjaren. De hiervoor noodzakelijke informatie is afkomstig uit jaarringenonderzoek.

Mede door die onzekerheid blijven diverse gebeurtenissen moeilijk te dateren. Een ander bekend voorbeeld is de constructie van enkele monumentale gebouwen in Israël in de tiende of negende eeuw v.Chr. Afhankelijk van het precieze moment zijn deze wel of niet aan koning David of Salomo toe te schrijven en bieden ze een aanwijzing voor de betrouwbaarheid of onbetrouwbaarheid van het bijbelse verslag. In 2018 stelden enkele onderzoekers al een aanpassing voor van de kalibratiecurve, maar Manning maakt nu duidelijk dat dit wat al te drastisch is. Het regionale patroon op zuidelijke breedtes staat andere koolstofdateringen toe, meer in lijn dus met de aardewerkdatering.

Lees ook: Waar is Salomo?